"Diep in mij zit iets heel majesteitelijks en wonderlijks, als een paard." Eerste deel van een gesprek met een invloedrijke columnist. " /> "Diep in mij zit iets heel majesteitelijks en wonderlijks, als een paard." Eerste deel van een gesprek met een invloedrijke columnist. " />

Hard//hoofd

Hard//hoofd wil aan je muur! Word kunstverzamelaar

Marjolijn Februari (1)

Interview

Tekst Jan Postma

Jan Postma sprak schrijver en rechtsfilosoof Marjolijn Februari over Kafka, het innemen van standpunten in de strijd tussen kampen en paardenembryo's in konijnen. Deel één van een interview in twee bedrijven.



1. Papier


Pas wanneer ik vijf uur later weer het station van Driebergen inloop, dringt de vraag zich voor het eerst op: hoe ga ik het gesprek met Marjolijn Februari [pseudoniem van Marjolijn Drenth] – schrijver, filosoof, columnist, jurist – in vredesnaam recht doen? Ze vertelde over haar bewondering voor Amartya Sen en Audrey Hepburn, en voor het werk van Philip Roth en Virginia Woolf. Over het wonderlijke geval van Frits Bolkestein en de Nederlandse wapenleveranties aan Irak die met de mantel der ambtelijke liefde werden bedekt. Het ging over Diederik Stapel en de neiging academische fraude als daden van een lone wolf te zien, terwijl ze een gevolg van het systeem zijn. Over hoe ze soms meer moeite heeft met het kopen van een brood dan met het houden van een lezing voor een volle zaal. Over hoe ze een beetje rondkijkt in de maatschappij en op verschillende plekken nieuws brengt van hoe het er elders aan toegaat. Over hoe een ijverige dagbladredacteur ooit het Oedipusverhaal in een van haar stukken herschreef, omdat hij of zij niet kon geloven dat iemand met zijn moeder trouwde. Over hoe lang ze werkte aan de openingszin van De Literaire Kring (driekwart jaar, eindresultaat: “De suikerpot viel van tafel”). Over het feit dat ze nog geen meesterwerk kan schrijven, dat dat pas na haar vijftigste levensjaar moet gaan gebeuren.

En middenin ons gesprek was daar ineens een intermezzo dat enerzijds volledig op zichzelf leek te staan, maar tegelijkertijd al het andere in perspectief plaatste. Dit verhaal over haar familie verhoudt zich tot de rest van het gesprek, zoals Dostojevski's verhaal over de Grootinquisiteur staat tot de rest van De Gebroeders Karamazov.

Ik ben een paar minuten te laat, maar mijn verontschuldigingen worden vlot weggewuifd: mensen die te vroeg zijn, bezorgen haar meer hoofdbrekens. Wanneer we aan de eettafel zitten, zegt ze: “Een gesprek in een café is voor mij wat rustiger, nu moet ik bijvoorbeeld bedenken of jij misschien iets wilt drinken.” Ik wil niemand tot last zijn en vraag om een glas water. “Vroeger was er nog een nadeel aan thuis geïnterviewd worden. In mijn vorige huis woonde ik nog alleen, toen begon ieder interview met een zin als: ‘In een schaars ingerichte woonkamer.’” Ik kijk om me heen. Nee, zelfs een woord als 'bescheiden' zou al te sterk zijn. De meubeldichtheid valt nog het beste als 'normaal' te kwalificeren. Hoewel ik vooral benieuwd ben hoe ze haar eigen werk beschouwt, en waar haar praktisch ingestelde houding en levenslust vandaan komen, stel ik eerst de obligate vraag over haar gebruik van een pseudoniem.

U heeft ooit gezegd dat u de precieze herkomst van uw nom de plume nooit uit de doeken zal doen. Maar ik ben vooral nieuwsgierig hoe u zich verhoudt tot uw pseudoniem. Zijn het verschillende rollen?

“In mijn proefschrift staat een verhaal dat ik wel vaker vertel om uit te leggen hoe ik dat pseudoniem zie. Wanneer paardenfokkers raspaarden verkopen, aan Arabische sjeiks bijvoorbeeld, is het verschrikkelijk duur om zo'n dier te versturen. Zelfs een embryo verschepen is al heel ingewikkeld. Wat ze in plaats daarvan doen is dat ze het embryo in de baarmoeder van een konijn stoppen, en dat op het vliegtuig zetten. De sjeik haalt het embryo uit het konijn en stopt dat in een draagpaard. Toen ik dat voor het eerst hoorde, dacht ik: dat is precies het beeld dat ik van mijzelf heb. In werkelijkheid, onder mijn eigen naam, ben ik een soort konijn. Een weinig opmerkelijk wezen waar niet zoveel aan valt te beleven. Maar diep in mij zit in embryonale staat iets heel majesteitelijks en wonderlijks als een paard. Als ik ergens moet optreden, kom ik natuurlijk zelf, wat dan wel eens tegenvalt. Maar dat andere woedt in mij. Het leven is een poging dat dier dat in je huist op te voeden en volwassen te laten worden. Mijn schrijverschap wordt dus net als zo'n embryo onder goede temperaturen beschermd. Onder pseudoniem ben ik trouwens ook een beter mens dan in werkelijkheid. In de werkelijkheid is het natuurlijk behelpen.

Er zijn veel redenen waarom je op jeugdige leeftijd een pseudoniem kiest. Vaak wordt gedacht dat je het doet om je erachter te kunnen verschuilen, maar ik heb er nooit geheimzinnig over gedaan en tegelijkertijd mijn eigen naam bekendgemaakt. Toen ik begin twintig was, heb ik tijdens een reis door Engeland in iedere kerk die ik bezocht onder een andere naam het gastenboek getekend. Dit pseudoniem kwam er uiteindelijk uit. Een van mijn vroege pseudoniemen, Ruth Ackerman, is overigens later als personage in De Literaire Kring beland.”

Over die roman: in deze tijden van bezuinigingen in de kunsten, is een veelgehoord argument voor overheidssteun dat kunst mensen 'beter' maakt. Dat geldt niet voor de personages in uw boek die lid zijn van de leesclub.

“Nee. Maar de kritiek in De Literaire Kring is niet zozeer kritiek op de gedachte dat je van kunst een beter mens kunt worden. Ik zie kunst simpelweg als een van de dingen die wij doen. Het behoort tot de wereld van het spelen, van de religie en het ontzag voor het bestaan in het algemeen. We hebben nu eenmaal de neiging een beetje rond te buitelen. Ik verzet me eerder tegen een bepaalde omgang met kunst. Kunst als lifestyle. Boeken op de salontafel.”


Foto: Jan Postma



Tegen de lichtzinnigheid waarmee mensen zich kunst 'aanmeten' dus?

“Ja. Maar hoewel de kritiek in De Literaire Kring breder is, maakt de omgang met kunst er wel onderdeel van uit. Het is de manier waarop die klasse zich verheft. Kunst als een middel om te zeggen: ‘Je zult het toch nooit begrijpen, want het is te moeilijk voor je. Maar je moet er wel voor betalen.’ Er wordt soms een beeld opgeroepen dat kunst zo verheven is dat het alleen voor een groep uitverkorenen is. Dat bevalt me absoluut niet. Het is een beeld waarvan bijvoorbeeld de PVV-kiezer zegt: ‘Jullie gebruiken kunst alleen om ons te beledigen.’”

Bent u over het algemeen strenger voor de hogere klassen?

“Ja. Op die plekken in de samenleving waar je verwacht mensen te treffen die het hoofd fier overeind houden, blijkt dat vaak niet zo te zijn. Het populisme in de hogere kringen vind ik veel kwalijker dan dat van 'de PVV-stemmer'. Dat ook hogerop iedereen overal maar achteraan host, wetende dat er dingen niet kloppen, en dan maar blijven zeggen dat er niets aan de hand is. Volhouden dat de problemen bij een instelling als InHolland een uitzondering zijn, terwijl iedereen weet dat dat onzin is. Het 'gezellig bij elkaar kruipen' en 'don't rock the boat', dat irriteert me. Al dat geblaat tegen PVV-stemmers en de onderkant van de samenleving, zorg nu eerst maar eens dat je je universiteiten en je ministeries op orde hebt.”

Dan maakt ze een gedachtesprong en zegt ze: “Ik ben een lezing aan het voorbereiden over het idee dat we teveel bezig zijn alles op papier te verbeteren, terwijl je dat uiteindelijk alleen in de werkelijkheid kunt doen.” Ik kijk haar niet-begrijpend aan. Op tafel ligt een boekenbijlage, met op de voorpagina een bespreking van Chris van der Heijdens controversiële proefschrift Dat nooit meer, ze wijst ernaar en zegt: “Ik heb Van der Heijdens proefschrift nog niet gelezen, maar ik ken de discussie wel een beetje. Die speelt immers al langer. Zijn bezwaar is dat ook fout zijn in de oorlog veel ingewikkelder heeft gelegen dan je op papier kunt uitdrukken. De discussie is versimpeld tot een strijd tussen kampen. En ik geloof dat dat is waar ik me in het algemeen tegen verzet. Vanuit het principe: je moet dingen regelen in de werkelijkheid en niet in een afgeleide van de werkelijkheid op papier. Je moet eerst kijken hoe het er in de praktijk aan toegaat: eerst moeten je feiten kloppen, pas dan kun je degelijke argumenten vinden.”

Wat bedoelt u precies met 'versimpeld tot een strijd tussen kampen'?

“Mensen kiezen in een discussie te vaak eerst een standpunt. Een positie die binnen een bepaald kamp valt, met een eigen levensstijl, een eigen cultuur. Je stapt erin en neemt het hele pakket over, je hoeft vervolgens je standpunt niet meer goed te beargumenteren. Je hoeft je handtekening maar te zetten en je krijgt de hele package deal, inclusief meningen en morele overtuigingen.”

En dat ziet u vaker gebeuren?

“Ja. Neem de huidige discussie over de 'weigerambtenaren', en daaraan gerelateerd bijvoorbeeld ook het vrouwenstandpunt van de SGP. Decennia lang hebben we in Nederland een elite gehad die zei: 'We zijn tegen religie, het is dom en we moeten er vanaf.' Maar nu zie je dat die discussie is omgeslagen: het leidende idee is ineens dat gelovigen onder druk staan, en dat je dus solidair met hen moet zijn. Ik hoor ineens allemaal commentatoren zeggen: 'Je moet geen kritiek hebben op de standpunten van de SGP inzake het homohuwelijk en het passief kiesrecht voor vrouwen. Ze hebben het al zwaar genoeg.' Of je er nu voor of tegen bent, in beide gevallen worden eigenlijk geen argumenten gebruikt, maar kampen gekozen. Je bent voor de SGP of je bent tegen de SGP. Nu heb ikzelf nooit zo'n probleem gehad met religie, ik heb het onderwerp altijd erg interessant gevonden, maar als de SGP zegt dat ze de helft van de Nederlanders een grondrecht gaan afpakken, dan denk ik dat je daar toch flink tegenin moet gaan. En als ik dan allerlei weldenkende mensen hoor zeggen dat we daar tolerant over moeten zijn, denk ik: pardon? Tolerant zijn wil zeggen dat je iedereen het recht gunt om zoiets te zeggen, maar dan heb je zelf vervolgens ook het recht daar tegenin te gaan. Zeggen: ‘We zijn tolerant, dus moeten we het er niet over hebben,’ dat is merkwaardig. Het standpunt van de SGP is nogal radicaal, dus daar mogen we best over in discussie gaan. Vinden we het juist dat de overheid zo'n partij subsidie verleent? Je kunt vinden dat dat moet kunnen. Maar die discussie moet wel worden gevoerd op basis van op feiten gestoelde argumenten. Je ziet te gemakkelijk geclusterde meningen ontstaan, overtuigingen die gebaseerd zijn op het kamp waartoe iemand behoort. Je moet terug gaan naar de werkelijkheid, naar de praktijk. Alles netjes analytisch uit elkaar halen, alle schroefjes en moertjes op tafel leggen en kijken hoe het in elkaar steekt.”

Die houding lijkt u een hoop bewonderaars op te leveren, in een documentaire van de Human werd u omschreven als: “een van de invloedrijkste denkers van Nederland”. Ik dacht toen…

“… hoe meten ze dat?”

Ja. Maar ook: hoe ziet die invloed er dan uit?

“Ik denk in ieder geval niet dat ik politieke invloed heb. De volksvertegenwoordiging rent niet naar de kiosk om te kijken wat ik nou weer heb gezegd. Maar ik weet wel dat wat ik schrijf af en toe gebruikt wordt binnen de ambtenarij en de academische wereld. Ik hoor zo nu en dan dat mensen blij zijn dat ik dingen opschrijf.”

Dus toch invloed?

“Het is een vorm van meedenken. Maar ik zeg dit nu allemaal heel dapper, terwijl ik ook vaak geneigd ben te denken dat het allemaal niets helpt. Soms bemoei je je met zaken, zoals de wapenleveranties aan Irak, en dan haalt het niets uit. Maar je moet het ook niet onderschatten. Het is misschien niet zo dat je altijd dingen verandert, maar je kunt wel ondersteunen, meedenken, dingen zo formuleren dat ze voor anderen misschien iets helderder worden.”

Dat meedenken is wel een positieve opdracht. Is dat de kern van wat u doet als columnist?

“Tja... Dat, maar vooral ook proberen te zorgen dat zaken niet verstrikt raken op papier. Het helpt wanneer er af en toe iemand langskomt die zegt: ‘Bij de buren doen ze het heel anders. Ze hebben een ander perspectief en een andere oplossing voor een soortgelijk probleem.’ Dus als ik een debat over de kunsten bijwoon, vertel ik soms iets over mijn ervaringen als adviseur in de luchtvaartindustrie. Dat werkt vaak verrassend goed.”

Ja, die luchtvaart waar u zich mee bezig houdt, heeft u ooit de wens gekoesterd piloot te worden?

“Ha. Ja, toen ik tweeëntwintig was. Ik was pas afgestudeerd en ik kon geen baan vinden, het was crisistijd, net als nu. Ik heb toen informatie aangevraagd over een pilotenopleiding. Ik wist van tevoren dat mijn ogen daar eigenlijk te slecht voor waren. Maar het was toch een soort perspectief. Ik dacht: dat heeft wel wat. Ik houd wel erg van ambachtelijkheid, in plaats van eindeloos over dingen praten. De overeenkomst tussen schrijvers en piloten is dat hun werk redelijk ambachtelijk is, al zijn het allebei vakken waar je een zekere aanleg voor moet hebben. Ik had nooit piloot kunnen zijn, daarvoor ben ik niet stressbestendig genoeg. Maar een zekere neurotische aanleg maakt je dan wel weer erg geschikt voor het schrijversvak.”

Over neuroses gesproken, toen ik vroeg of ik nog iets moest lezen ter voorbereiding op dit gesprek, verwees u naar een stuk dat u over Franz Kafka schreef. “Daar staat het allemaal wel in” zei u.

“Kafka heeft het natuurlijk ook over bureaucratieën die een verlammend effect uitoefenen. Maar wat hij daarnaast laat zien, is dat die verlamming ook nog eens aan jezelf ligt.

Ten aanzien van de luchtvaart is er bijvoorbeeld de eeuwige roep om volledige veiligheid. Terwijl het in werkelijkheid natuurlijk altijd een kwestie is van de baat die je bij een activiteit hebt – in dit geval vliegen – afwegen tegen het risico dat je dan zult moeten nemen. Zou je totale veiligheid willen garanderen, dan moet je gewoon niet meer vliegen. Dat is het waarover Kafka schrijft: de beslissing om niet te vliegen.”

Maar bij Kafka is de verlamming ook van een andere orde…

“Hij heeft het ook vooral over zijn eigen onvermogen. Hij blijft maar thuis op zijn stoel zitten, omdat hij weet dat hij daar in ieder geval ongelukkig is. Zijn angst zit diep: hij is bang om gelukkiger te worden, bang dat hij niet weet wat hij dan moet doen. Tijdens het samenstellen van Ons soort mensen realiseerde ik me dat dat een belangrijk thema in mijn werk is: vitaliteit. Hoe kun je je ertoe zetten om te handelen, wat zijn je redenen om dingen wel te doen? Je kunt eindeloos plannen maken en toch niets doen. Maar het magische moment is voor mij de overgang van plan naar daad. Ik herken de fascinatie bij Kafka. Ik ben er niet zo slecht aan toe als hij, maar het is wel iets waar ik zelf ook mee worstel. Je kunt vitaliteit alleen maar belangrijk vinden als je niet voortdurend loopt rond te stuiteren van energie en daadkracht.”

Ze formuleert haar antwoorden aftastend, wat wordt geaccentueerd door de slingerklok waarop de secondes luid wegtikken. Als ze een kop thee zet, verontschuldigt ze zich: “Meestal zorg ik wel dat ik hapklare antwoorden paraat heb. Wanneer ik er wel vertrouwen in heb dat het goed komt, ben ik soms niet helemaal begrijpelijk." Vanuit de keuken zegt ze ineens: “Als je een spannend interview wilt hebben, dan kan ik nog wel iets over de familieachtergrond van dit alles vertellen. Dat heb ik eigenlijk nog nooit gedaan.”

Lees hier het tweede deel.


Deel op of
Jan Postma Jan Postma (Delft, 1985) is politicoloog, fotograaf, journalist, parttime einzelgänger en meer. Maar, voordat u zich een beeld denkt te kunnen vormen, toch vooral dat laatste.
b
a
a