Hard//hoofd

Kunst als oefenruimte. In gesprek met Ola Lanko / Luister hier de podcast

Flamingo's

Kort verhaal

Tekst Jente Hoogeveen &
Illustratie Patrick Louwerse

Het is warm. Zo warm dat je zonder slippers niet op de betonnen tegels van het zwembad kunt lopen. Mijn vader staat bij de bar aan de rand van het water, hij hopt van zijn linker- op zijn rechtervoet. Ik werp een blik op de zwembadtegels naast mijn strandstoel, zijn slippers liggen hier. De bar heeft een rieten luifel en een machine waar je zelf softijsjes kunt tappen. Mijn vader heeft zojuist voor ons twee cola besteld en voor zichzelf een lichtgroen drankje met een parasol erin. Hij praat tegen het meisje achter de bar. Het meisje draagt een te kort T-shirt in dezelfde kleur als vaders drankje.
‘Geef mij de zonnebrand eens,’ zeg ik tegen Willem. Mijn broer ligt languit op een strandbed met zijn navel naar de zon. Hij draagt de blauwe zwemflippers die hij sinds het begin van de vakantie niet meer heeft uitgetrokken. Als ik ’s nachts naast hem in bed lig en niet kan slapen, kijk ik naar de twee bergen die aan het voeteneind vanonder de lakens omhoogsteken. Hij kan vanwege die flippers alleen op zijn rug liggen, waardoor hij veel snurkt en ik alsmaar wakker lig. Volgens mijn moeder zal er onder zijn voeten nu wel schimmel groeien.
Willem tilt zijn hoofd op: ‘Wat?’
‘De zonnebrand,’ zeg ik en wijs naar de fles naast zijn voeten. Voordat hij mij de fles geeft, spuit hij eerst zijn eigen navel vol met de witte crème. Hij ziet mijn geïrriteerde blik, ik houd niet van navels.
‘Het zal je maar gebeuren,’ zegt hij. ‘Een verbrande navel.’ Zijn voeten bungelen langs het strandbed, met zijn flippers tikt hij op de stenen. ‘Verdomme, ze verkleuren door de zon.’ Hij houdt zijn benen nu in de lucht. ‘Ze zijn al bijna turquoise.’

*


Behalve mijn moeder wilde niemand op vakantie. Mijn vader ging liever trainen op zijn fiets, Willem wilde met zijn nieuwe flippers naar het buitenzwembad en ik wilde dat ook, omdat ik zijn zusje ben. Dat brengt een bevoorrechte positie met zich mee: als enige brugklasser mag ik bij de vierdejaars zitten. Maar mijn moeder wilde per se gaan. We zaten aan de keukentafel. Iedereen at, behalve zij. Dit keer had ze niet eens de moeite genomen een bord voor zichzelf op tafel te zetten.
‘Ertussenuit,’ zei ze. ‘Als familie. Even weg van al dat gedoe.’
‘Welk gedoe?’ vroeg Willem. Hij stopte zijn gekookte aardappel in een keer in zijn mond.
‘De dagelijkse sleur, je weet wel.’ Ze knikte naar mijn vader, die terugknikte zoals ouders naar elkaar knikken als ze elkaar begrijpen. Of in ieder geval, als ze denken elkaar te begrijpen.
‘Waar naartoe?’ vroeg mijn vader.
‘Ver weg,’ zei mijn moeder.
Mijn vader knikte weer.
Nu zijn we daar dus. Ver weg. Mijn moeder ligt al dagen op onze hotelkamer, uit te rusten, en mijn vader vult klachtenformulieren over de temperatuur van de airco voor haar in bij de receptie. Als hij daar niet staat, maakt hij duiktripjes waar wij niet op mee mogen. Daar moet je achttien jaar of ouder voor zijn. In de tussentijd mogen wij lekker onze eigen gang gaan. Het is immers vakantie.
Twee kinderen in rode zwemkleding gooien een opblaasband in het bad. Vanuit het water duiken ze om de beurt als dolfijnen door het gat. De tweede dolfijn, de jongste en molligste, blijft vastzitten als een hotdog in een broodje. Willem lacht, het vel dat strak om zijn uitstekende ribben staat gespannen, beweegt mee. De warm geworden zonnebrand loopt uit zijn navel.
‘Ik ga even bij mama kijken,’ zeg ik, maar Willem hoort me niet.
Vanaf het zwembad is het een kleine tien minuten lopen naar onze hotelkamer. Het hotel heeft twaalf verdiepingen. De vloeren zijn bedekt met rood tapijt waar je niet met blote voeten op mag lopen, hoewel iedereen dat toch doet. Ik loop langs de receptie naar de lift en druk op het knopje van de achtste verdieping. De lift is leeg, ik ga op de vloer liggen en sluit mijn ogen terwijl de cabine langs de verdiepingen omhoogglijdt. Ik krijg er een kietelend gevoel van in mijn buik dat ik toch ook wel fijn vind. De vloer is koud, ik knijp mijn ogen tot spleetjes en bekijk mezelf in de plafondspiegel. Een bolle blote buik ligt als een berg tussen mijn bikinitop en -broekje. Ik houd mijn adem in en trek mijn buik zo ver als ik kan naar binnen, net zolang totdat ik zichtbare ribben heb zoals Willem. Ik word er licht van in mijn hoofd.

Flamingo_midden

De hotelkamer is donker, op een klein streepje licht na dat langs het gordijn glipt. Het schijnt op de muur, waardoor ik een bult onder de lakens kan zien liggen. Met mijn handen tegen de muur schuifel ik naar het bed. De kamer ruikt naar chloor en slaap. Het monotone gezoem van de airco maakt me een beetje misselijk. Ik sla de dekens open en kruip tegen mijn moeder aan. Haar blonde haar plakt aan haar wangen, ik leg mijn hoofd in haar nek zodat haar haren ook tegen mijn wangen zullen plakken. Ze is warm en klam. Ik probeer te ademen zoals zij, lange diepe halen. Soms stopt ze even, dan stop ik ook en wacht gespannen af tot ze haar ritme voortzet.

Twee dagen voor vertrek annuleerde mijn vader onze vliegtickets. Het opstijgen en dalen zou mijn moeder weinig goed doen en hem evenmin. Zijn oren zaten al weken verstopt, de doktersassistente kreeg de proppen er maar niet uit.
‘Daar is hij immers voor,’ zei mijn vader. ‘Die annuleringsverzekering. Dan gaan we toch met de auto.’ Hij gaf mijn moeder een natte kus op haar wang. Zij zat diep weggezakt in de leunstoel met een boek dat ze niet las. Mijn vaders speeksel zag ik op haar wang glinsteren, omdat ze op het juiste punt in de zon zat. Hij pakte haar tas in en daarna die van ons. Achteraf heb ik daar spijt van, nu heb ik boeken mee die ik al drie keer heb gelezen. Mijn vader smeerde broodjes, kocht een wereldradio en het dubbelalbum van Creedance Clearwater Revival, omdat we nog steeds geen snoertje hebben in de auto waar je je telefoon aan kunt hangen. Op dinsdagmorgen vertrokken we om acht uur precies. In twee dagen zouden we naar Portugal rijden. De toeristische route langs de Franse kust, zodat het rijden ook voor de chauffeur aangenaam zou blijven. Willem vond het een goed idee, hij keek net als mijn vader uit naar de surfmeisjes in bikini.
Na een halfuur stopten we bij een benzinestation langs de snelweg, even voorbij Heerenveen. Het benzinestation waar we van de winter ook al stil stonden op weg naar Oostenrijk, toen niemand van ons behalve mijn moeder op skivakantie wilde en uiteindelijk iedereen skiede, behalve zij. Een uur later stopten we weer en een halfuur daarna nog eens. Telkens wachtte mijn vader voor de deur van mijn moeders wc-hokje. Willem en ik kochten pinda's, lolly’s en friet. Soms kon mijn vader zijn ik-zei-het-toch-blik niet langer verbergen, hoewel ik zag dat hij zijn best deed. In de huid van zijn voorhoofd en rond zijn mond trok hij diepe rimpels.
‘Lekker,’ zei Willem op het stoepje voor de winkel, terwijl we onze frieten aten. ‘Benzinelucht.’
‘Ja,’ zei ik, hoewel ik dat helemaal niet lekker vond.
Mijn moeder kwam naast ons op het stoepje zitten, ze rook naar kauwgom en wc-verfrisser. In het wit rond haar lichtblauwe ogen groeiden rode wormpjes. Ze keek naar onze frieten.
‘Binnenkort eet ik die dingen door een rietje. Geprakte friet, die mag je vader dan voorkauwen.’ Ze lachte, mijn vader spande zijn mondhoeken strakker aan. Willem knikte en ik knikte mee, ook al wist ik dat we haar niet begrepen.

De airco begint harder te zoemen. Vaders formulieren hebben nog niets geholpen. Mijn moeders schouder drukt in mijn hals, maar ik blijf liggen zoals ik lig. Mijn arm leg ik om haar magere heup.
'Alles blijft gewoon hetzelfde hoor,' zei mijn moeder vier jaar geleden tegen ons toen zij en mijn vader terug kwamen uit het ziekenhuis. 'Jullie zullen er niets van merken.'
Vooral Willem is daar goed in gebleken: niets van de dingen merken. Zoals hij eigenlijk altijd in alles de beste is.
Ik snuif mijn moeders geur op. Haar pyjama ruikt niet meer naar ons, omdat ze die gister door het kamermeisje heeft laten wassen. Ik denk: misschien is dat ‘ertussenuit’. Net zolang weg zijn totdat niets meer ruikt naar thuis.
‘Waar is papa?’
Ik schrik van haar stem. Mijn moeder draait zich om. Inmiddels zijn mijn ogen aan het donker gewend, ik kijk naar haar vermoeide blik en ingevallen wangen.
‘Hij praat met het barmeisje,’ zeg ik.
Mijn moeder trekt de prop lakens onder zich vandaan.
‘Zeg tegen hem dat hij jullie meeneemt naar de flamingo's.’
‘Ik houd niet van flamingo's.’
Ze zegt: ‘Niet zeuren, het is vakantie.’ En draait zich dan naar de donkere gordijnen.
Ik ren terug over de betonnen tegels, omdat ik mijn slippers in de hotelkamer heb laten liggen.

*


Na een volle dag reizen waren we net voorbij de Nederlandse grens, waarop mijn vader besloot dat de Ardennen ver genoeg waren. Hij boekte een hotel met een zwembad vlak bij een groot meer, waar je kunt waterskiën en je duikbrevet kunt halen. Het meer is grijs en er zwemmen vissen. Snoekbaars. In het midden ligt een eiland met drie bomen, waar je volgens Willem voor heel weinig geld seks kunt hebben. Ik heb al in het meer gezwommen, Willem niet. Hij is bang dat zijn flippers vies zullen worden.
Volgens de man op de wereldradio is het een uitzonderlijk warme zomer: de warmste die België in vijftig jaar heeft gekend. In het zwembad drijven dennennaalden. Het mollige kind is door zijn moeder uit de zwemband gehaald. Willem flippert door het water. Ik gooi spullen naar hem, zodat hij weet dat ik er weer ben. Een rubberen worst, twee zwemvleugels voor kleine kinderen en een opblaasorka die langzaam leegloopt.
‘Waar is papa?’ roep ik naar hem.
Willem zwemt naar mij toe, hij draagt een duikbril die kleurt bij de zwemflippers. Hij wijst naar de parkeerplaats achter de bomenrij.
‘Het barmeisje heeft problemen met haar auto, papa kijkt er even naar.’
‘O,’ zeg ik. ‘Alweer?’
‘Vast een tweedehandsje,’ zegt Willem. ‘Daar kun je veel pech mee hebben.’
Ik kijk naar de bar waar onze cola’s nog steeds staan.
‘We moeten van mama naar de flamingo’s,’ zeg ik.
‘Hoezo?’
‘Omdat het vakantie is.’
Willem hijst zich uit het bad. Het water drupt van zijn haarpunten op zijn nek en rug. Hij heeft sproeten op zijn schouders en ook puisten. Witte kopjes die mij de hele dag aankijken. Als we ’s avonds in bed liggen, knijp ik ze soms uit. Dan wordt Willem woest en praat hij de morgen daarop niet tegen me.
‘Oké,’ zegt Willem. ‘Laten we dat dan maar doen.’

Op onze blote voeten lopen we door het hotel, over het tapijt langs de receptie. Willem laat een spoor van water achter. Ik knijp in de kontzak van zijn zwembroek, een kleine waterval stort naar beneden. Op het plein voor de ingang van het hotel is een rotonde gebouwd waar taxi’s de hotelgasten af kunnen zetten. In het midden staat een ronde vijver met daarin een marmeren fontein in de vorm van een groep flamingo’s. Twee flamingo’s kijken naar rechts, twee naar links en de middelste kijkt omhoog. Naar de wolken. Uit zijn bek spuit een straal water. Willem en ik gaan op het randje van de vijver zitten, we laten onze voeten in het water hangen. Hij schudt zijn haren uit vlak bij mijn hoofd, als een hond. Kleine waterdruppels kriebelen in mijn hals. Aan de andere kant van de vijver staan een man en een vrouw, in de ene hand een koffer. In hun andere hand de hand van de ander. De man draagt een witte blouse en een lange zwarte broek. Onder zijn oksels zijn natte plekken ontstaan. Hij fluistert de vrouw iets in haar oor en haalt een muntje uit zijn zak. De vrouw lacht en fluistert iets terug. Ze gooit het muntje in het water. Dan lopen ze naar de ingang van het hotel. Willem kijkt de twee na en laat zich verder in het water zakken. Hij loopt met grote passen, waardoor het water over de rand spettert.
‘Twee euro,’ roept hij als hij op de plek staat waar de vrouw zojuist het muntje liet vallen. Hij raapt het schijfje van de bodem. ‘Kom, dan gaan we ijs halen.’
‘Niet doen,’ zeg ik. ‘Straks komt die wens niet uit.’
Hij stapt uit de vijver.
‘Nou en.’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Het is toch vakantie.’ Dan loopt hij door, zijn smalle witte rug tussen de grijze gebouwen, zijn blonde haar dat aan zijn hoofd plakt en de blauwe flippers waarmee hij ritmisch op het asfalt slaat.


Deel op of
Jente Hoogeveen (1992) is student Liberal Arts & Sciences, de rest van de tijd maakt ze beeldend werk en schrijft korte verhalen.
Patrick Louwerse is regisseur, animator en illustrator. Hij combineert verschillende technieken en disciplines om verhalen met een wonderlijke en surrealistische inslag te verbeelden. 
b
a
a