Hard//hoofd

Kunst als oefenruimte. In gesprek met Ola Lanko / Luister hier de podcast

Vertrouwd en o zo vreemd

Memory Machine

Tekst Jan Postma &
Illustratie Sanneke Duijf

Ooit – in 1995 – zond de VPRO vijf volle televisieavonden uit over dat ene woord: herinnering. Jan bekeek de serie van Wim Kayzer en noteerde kleine inzichten.


9 februari 2015. 16:57

In een scène aan het begin raadde een van de mensen aan de tafel met wetenschappers – was het Gary Lynch? – eenieder aan een dagboek bij te houden. Daarom besloot ik de ervaring die het kijken van Vertrouwd en o zo vreemd was, ook op die manier te boekstaven.

Ik koester de hoop veel kleine inzichten op te doen tijdens het kijken. Om die veelheid een kans te geven, noteer ik mijn ervaringen in zo veel mogelijk beknopte alinea’s.

Het aansluiten van de dvd-speler kost enige moeite. Als ik het apparaat eenmaal heb gevonden en naast de televisie positioneer, blijkt het snoer te kort. Als ik het ding wat dichter bij het stopcontact zet, ontdek ik dat de enige SCART-kabel die mijn vriendin en ik na onze verhuizing nog hebben, extreem kort is. Ons huishouden en onze inrichting zijn niet berekend op het moeten kijken van beeldmateriaal dat is opgeslagen op een fysieke drager.

Het is niet één dvd. Het zijn er vijf. De opgetelde speelduur van deze vijf schijfjes is volgens de achterzijde van de kartonnen doos ‘ca. 19 uur’.

Gele, blauwe en lichtgrijze lijnen dansen diagonaal over het zwarte scherm. Als ik mijn best doe, kan ik de richting waarin ze zich lijken voort te bewegen doen veranderen met niets anders dan mijn wilskracht.

‘Kom er nog maar eens om vandaag de dag: negentien uur televisie over één enkel woord. Maar ooit – in 1995 – zond de VPRO vijf volle televisieavonden uit over dat ene woord: herinnering. Een magistrale serie van Wim Kayzer. Gesitueerd op een kasteel in Gelderland. Vanuit alle mogelijke gezichtshoeken werd het even wezenlijke als wezensvreemde fenomeen van de herinnering belicht.’

De openingszin van de flaptekst is tegelijkertijd zelffeliciterend en zelfkritisch. In beide gevallen zonder dat de schrijver het door lijkt te hebben.

Negentien uur. De gedachte dat ik zo’n significant deel van mijn leven aan Wim Kayzer ga geven, is licht benauwend. Wim Kayzer. De man achter Van de schoonheid en de troost en Een schitterend ongeluk. Interviewreeksen die zo ongekend groots waren opgezet, dat ze in gelijke mate bewondering en ergernis hadden kunnen wekken - ware het niet dat Kayzer vrijwel altijd net aan de goede zijde van de grens tussen intellectualistische hoogmoed en intellectuele bravoure wist te blijven. En wanneer hij zichzelf even leek te vergeten, waren er altijd nog de gasten.
Negentien uur. De gedachte dat ik zo’n significant deel van mijn leven aan Wim Kayzer ga geven is licht benauwend.

‘Ons verleden is groots, de toekomst een warboel.’ Die woorden van Joseph Brodsky vormen het openingsbeeld. Laat het binnenvallen met een gewichtig citaat maar aan Kayzer over.

Ik schrik nog wel eens wakker, badend in het zweet, als ik in mijn slaap Wim Kayzers stem hoorde zeggen: ‘We are such stuff / As dreams are made on; and our little life / Is rounded with a sleep.’

Dat Shakespeare-citaat bleef hij de deelnemers aan Van de schoonheid en de troost maar voor de voeten werpen. Als ik het me goed herinner tenminste.

Dit keer is de aanleiding iets anders geweest. Ik zie beelden van een man die met een wielerpetje van de al lang vergeten Gitane-ploeg en een lepel met daarop een ei in zijn mond een kruiwagen over een parcours duwt. Het zijn beelden van een Spaans dorp waar Kayzer en zijn vrouw op een dag tot de conclusie kwamen dat hun eerste bezoek aan datzelfde dorp in hun beider geheugen radicaal anders is opgeslagen. Hun herinneringen komen nog minder overeen met die van de lokale bevolking. ‘Er werd die avond hard gelachen, maar het was, al met al, tamelijk verontrustend’, zegt Kayzer over de avond waarop dit verschil van inzicht in het verleden aan het licht kwam.

De deelnemers aan het televisieprogramma worden geïntroduceerd. Althans, ze verschijnen een voor een in beeld, Kayzer onthoudt ons hun namen nog even.

Ik herken de biologen Gary Lynch en Frans de Waal, de psycholoog Elizabeth Loftus en de schrijvers Armando, Ben Okri, Joseph Brodsky, Mario Vargas Llosa en Gerhard Durlacher. Die laatste herken ik overigens in de eerste plaats als Auschwitz-overlever.

In alle eerlijkheid: ik herinnerde me dat Shakespeare-citaat niet goed. Wat ik me eigenlijk herinnerde was: ‘such is the stuff our dreams are made off, our lives rounded with a little sleep.’ Elizabeth Loftus zegt ergens tijdens het tweede uur dat dagboeken notoir onbetrouwbaar zijn. We liegen tegen onszelf en wanneer de herinnering aan hoe het werkelijk was eenmaal voorgoed is vervlogen, is de waarheid óf relatief óf onkenbaar geworden – de vraag of informatie die is binnengekomen ook weer definitief kan verdwijnen, wordt in het kasteel veelvuldig gesteld.

Op het schoolplein dat grenst aan onze tuin wordt luid geschreeuwd en gejoeld. Het is zo luid dat ik soms binnen oordopjes draag. In de zomer is het een paar weken stil, maar verder overdag eigenlijk nooit langer dan een half uur. Soms, wanneer ik mezelf betrap op ergernis, denk ik aan een pamflet van Thomas Rosenboom, Denkend aan Holland heette het, waarvan ik me alleen kan herinneren dat het opent met het in zeer heldere woorden gevangen afgrijzen dat hij voelt wanneer de kinderen op het schoolplein tegenover zijn huis lawaai maken.

Iemand vertelde mij pas dat Thomas Rosenboom lange tijd hardliep in een spijkerbroek. Als de herinnering aan dat gesprek wat langer had gerijpt, had ik hem waarschijnlijk gewantrouwd. Nu weet ik zeker dat dat is wat ik hoorde: Thomas Rosenboom liep hard in een spijkerbroek. Ik weet niet zeker of dat is wat degene die het mij vertelde ooit zag.


Illustratie: Sanneke Duijf

In de eerste twee uur van Vertrouwd en o zo vreemd komen ook enkele mensen met een gebrekkig geheugen voorbij; een man, Moritz Kommer en een vrouw, Mevrouw Nobbe. De eerste is tweeënzestig en de tweede negenenzestig, maar als men mij had verteld dat de eerste vijftig en de tweede negentig was, had ik het ook geloofd. Kommer heeft geen kortetermijngeheugen. Na drie minuten is nieuwe informatie verdwenen. Mevrouw Nobbe lijdt aan Alzheimer.

Wanneer Kayzer Kommer vertelt dat de Berlijnse Muur is gevallen, fronst hij zijn wenkbrauwen. Zijn verbazing is bijzonder om te zien. Zijn eerste reactie is dat men dat in de DDR wel niet al te mooi zal vinden, omdat ze zich dan moeten aanpassen aan het Westen. Als Kayzer zegt dat Rusland ook niet meer communistisch is, schakelt Kommers verbazing nog een tandje bij. ‘O, is dat zo’, is het enige dat hij weet uit te brengen.

Brodsky poneert de stelling dat ons geheugen de zaken die op enige wijze met gevaar en plezier worden geassocieerd opslaat en dat de rest in veel gevallen verdwijnt. Ben Okri vraagt zich af of dat niet ook zou kunnen betekenen dat de dingen die onbelangrijk lijken voor ons voortbestaan maar die we toch onthouden, op een bepaalde manier ook van levensbelang zouden kunnen zijn.

Als hij bedoelt dat we minder mens zouden zijn zonder die dingen, heeft hij denk ik een punt. De twee mensen die kampen met geheugenverlies maken een haast onwerkelijke indruk.

Als er muziek wordt gespeeld leeft mevrouw Nobbe op, maar het blijft pijnlijk om te zien; de reductie van een mensenleven. Hoe iets in zijn geheel minder lijkt te zijn dan de som der delen.

Het geheugenverlies van Kommer, de man, ziet er draaglijker uit. Zijn wereld valt nog te omschrijven als een referentiekader. Een werkelijkheid waarin allerlei gaten zijn gevallen, maar die gaten zijn voor hem onzichtbaar.

Vertrouwd en o zo vreemd werd opgenomen in 1994 en uitgezonden in 1995. Zou Kommer nog leven? Zou hij nu tweeëntachtig of drieëntachtig zijn en zich van de afgelopen twee decennia helemaal niets herinneren?

Wat herinner ik me nog van twintig jaar geleden? In 1995 won Ajax de Champions League en deed Youp van het Hek, wiens ‘van dik hout zaagt men planken’-moralisme me destijds in een vaste greep had, de oudejaarsconference. Er is zo heel af en toe een nummer dat beelden van een vakantie voor de geest brengt waarin ik hopeloos verliefd was, zonder dat ik echt te wist op wie – misschien was het meer een soort prepuberale aanval van melancholie. Zo’n nummer moet dan op een cassettebandje hebben gestaan, en ik luisterde ernaar achter op de motor, tijdens een vakantie in Frankrijk.

Tegenwoordig zijn het vooral geuren die herinneringen oproepen. Momenteel heb ik een douchegel die naar perzik ruikt. Niet naar echte perzik, maar namaakperzik. Telkens wanneer ik het flesje opendoe denk ik heel even aan de eerste interrail-vakantie. Naast natuurlijk heel veel bier, was het ook de zomer waarin ik voor het eerst heel veel icetea dronk. Verder was er tot voor kort de shampoo die naar Parijs rook. En zo heel af en toe, zo eens in het half jaar, vang ik nog een laatste vleugje van een meisje van toen alle meisjes die ik kende ook nog echt meisjes waren.

Verder is alles wat ik me van 1995 kan herinneren het gevolg van terug redeneren. Ik zat in groep… zeven? Klasgenoten? Kevin (gabber), Sam (skater), Rob (gabber), Michiel (skater), Anne (vond dat mijn vader leek op Rob de Nijs, heb ik haar namens mijn vader nooit vergeven), Sanne (mijn moeder was boos op haar moeder), Eva, Eva, Femke, Gamze, Jordi en Tayfun. Dat zijn de namen die zich vanzelf nog aandienen, maar ik vergeet er nu al zo veel.

En wie was het meisje dat ooit, toen haar verkering uitging, haar etui op tafel leegschudde en al haar potloden en pennen doormidden brak? En klopt het dat zij later, toen we allebei op een andere middelbare school zaten, zelfmoord pleegde? Ergens voor een trein stapte? En klopt het dat ik tegelijk schrok van het nieuws en onaangedaan was op een manier die me nu met afgrijzen vervult? Is iedere puber een beetje een psychopaat?
En wie was het meisje dat ooit, toen haar verkering uitging, haar etui op tafel leegschudde en al haar potloden en pennen doormidden brak? En klopt het dat zij later zelfmoord pleegde?

Vanmorgen las ik de laatste pagina’s van The Two Kinds of Decay van Sarah Manguso. Manguso leed aan een auto-immuunziekte en belandde mede door de medicijnen in een zware depressie. Ik had het boekje besteld nadat de Amerikaanse schrijver John Jeremiah Sullivan eruit citeerde tijdens een radio-interview. Hij wist de titel van het boekje niet meer maar diste er wel schijnbaar gemakkelijk een wijsheid uit op: dat de schoonheid van de dingen schuilt in dat ze voorbijgaan en verdwijnen. Tijdens het lezen van The Two Kinds of Decay merkte ik dat ik vol spanning zat te wachten op het moment dat ik het oorspronkelijke citaat zou tegenkomen. Toen ik bij de laatste pagina’s was aanbeland, las ik plots: ‘A crow stands outside my window all day, reminding me of the best thing about my life – that it ends.’

Het leek in de verste verte niet wat op wat Sullivan had geciteerd, maar ik wist dat dit de woorden waren die in zijn hoofd een eigen leven waren gaan leiden. Dat is wat herinneringen doen, ze leiden hun eigen leven.

Eén bron is geen bron, leerde ik ooit. Maar een maand nadat ik voor het eerst hoorde van Thomas Rosenbooms joggen in spijkerbroek, net voordat ik had kunnen gaan geloven dat het een vreemde droom was geweest, trof ik iemand die het verhaal kon bevestigen. Ook zij had met eigen ogen de spijkerbroek gezien. Al moest ik me er geen buitengewoon strak en ongemakkelijk exemplaar bij voorstellen, zo zei ze.

‘Ons verleden is groots, de toekomst een warboel’, met die woorden van Joseph Brodsky opende Vertrouwd en o zo vreemd. De eerste helft van het citaat is een fictie – de leugen die we onszelf met hulp van ons immer gewillige geheugen vertellen. Het tweede deel is iets om – afhankelijk van hoe je in het leven staat – vol angst en beven of juist brandend van nieuwsgierigheid naar uit te zien.

Maar voordat het zover is, heb ik nog zeventien uur te gaan. Zeventien uur waarin ik het heden uit het oog verlies, waarin een uitgerekt fragment van het verleden aan me voorbij zal trekken, waarin ik de toekomst alvast, voor even, zal vergeten.

--

Deze publicatie is onderdeel van de ‘vergeetzondagen’ in samenwerking met Castrum Peregrini.
Deel op of
Jan Postma Jan Postma (Delft, 1985) is politicoloog, fotograaf, journalist, parttime einzelgänger en meer. Maar, voordat u zich een beeld denkt te kunnen vormen, toch vooral dat laatste.
Sanneke Duijf is illustrator, sociaal ontwerper en geeft af en toe les. Haar illustraties zijn helder, eenvoudig doch prikkelend en vatten de ideeën en wereld om haar heen in beeld. Humor is essentieel. Net zoals het scheppen van chaos om tot rare of nuttige inzichten te komen.
b
a
a