Hard//hoofd

Zomerboek

Tourscherven

Tekst Gastbijdrage &
Illustratie Joost Dekkers

De gepensioneerde wielrenner Richard Virenque zal allicht voor altijd herinnerd worden als een van de hoofdfiguren in het dopingschandaal rond wielerploeg Festina. De sportieve directeur van zijn ploeg, Bruno Roussel, zette de Ronde van Frankrijk in 1998 op stelten nadat hij tegenover de Franse politie had toegegeven dat zijn renners systematisch doping toegediend kregen. Met afhangende schouders, een neergeslagen blik en tranen in de ogen moest Virenque op 18 juli van dat verfoeilijke jaar de Tour verlaten.


Toch heeft de Fransman ook heel wat indrukwekkende prestaties bijeen gefietst. Tweemaal beëindigde hij de Tour de France met een podiumplaats in Parijs, het bergklassement won hij tussen 1994 en 2004 maar liefst zeven keer – een absoluut record. De zeven ritoverwinningen op zijn naam, waaronder één op de legendarische Mont Ventoux in 2002, behaalde hij over een periode van tien jaar – slechts zeventien andere renners hebben ooit zo lang meegestreden voor prijzen.

Maar bovenal was Ricco met zijn jongensachtige verschijning en uitgesproken persoonlijkheid mateloos populair. Dat manifesteerde zich ook in de woonkamer van mijn grootouders langs moederskant. Als kind zat ik tijdens de eerste drie weken van juli steevast bij hen aan de televisie gekluisterd. Van mijn grootvader Jef leerde ik toen dat de weg naar Parijs nog lang was, van mijn grootmoeder Liza dat Virenque elke bergrit zou winnen.

Geen betere ambassadeur voor de sport dan zij, trouwens. Vanuit een klaarblijkelijke schemertoestand – glazige ogen, pupillen die niet meebewegen met wat zich op het scherm afspeelt – kon ze op het moment dat Richard in beeld verscheen in geen tel de vurige supporter worden die elke wielergod zo hard nodig heeft. In vele gevallen herkende zij hem wellicht aan de bolletjestrui, in mijn herinneringen draagt hij die immers altijd.

Gevolg: als iemand mij vandaag vraagt wie de wielerheld uit mijn kinderjaren is, dan is de kans groot dat ik Virenque zal antwoorden. Deels omdat die andere grootheid in de annalen voortaan vervangen is door een veelzeggende leegte, waarmee Lance Armstrong de stille getuige is geworden van wat later – hopelijk – geboekstaafd zal staan als de donkere jaren van het wielrennen. Maar eerlijk, na vijf jaar had ik het wel gehad met de Amerikaan. Wie haalt het nu in zijn hoofd om het record van Merckx te verbreken?

Wanneer ik afgelopen zomer postvat op de Quai Anatole-France waaien de gedachten aan mijn oma mijn hoofd binnen. Het toeval wil dat ik in Parijs vertoef op het moment dat de mooiste koers ter wereld zijn 102de editie afsluit. Vanuit het idee dat wielerbloed bij een Vlaming kruipt waar het niet gaan kan, voorzie ik een hele zondag voor het wielerspektakel. Dat het pijpenstelen regent, deert mij niet.

Met de streng bewaakte Assemblée nationale tegenover mij had ik de perfecte standplaats gevonden, concludeerde ik een dag eerder na een grondige analyse van de slotetappe. Vanuit de verte zou ik de renners zien aankomen en in de tijd die zij nodig zouden hebben om een eindje verderop de Seine over te steken en langs het Louvre naar Place de la Concorde te fietsen, kon ik over de brug achter mij rustig naar hetzelfde plein wandelen. Daar zou ik ze nog tien keer zien voorbijrijden, want zoveel rondes leggen ze traditiegetrouw af op de Champs-Élysées.

Parijs is dan enkele uren lang het centrum van de wereld. Het stervormige stratenplan rond de machtige Arc de Triomphe lijkt enkel ontworpen voor die ene zondag in juli. In de voorafgaande weken bewijst de organisatie dat werkelijk alle wegen naar de Franse hoofdstad leiden. De ronde heeft vooral de laatste jaren zijn grondgebied gestaag uitgebreid, met een start in Ierland en Denemarken. Japan staat op het verlanglijstje, zeggen de geruchten, en voeden een nieuwe vorm van imperialisme in het oude Europa.

De internationalisering van de Tour de France kende zijn hoogtepunt evenwel in 1992. De renners fietsten toen door maar liefst zeven landen als hulde aan het Verdrag van Maastricht, dat in hetzelfde jaar ondertekend werd en de basis legde voor de Europese Unie. Een onmisbare eindhalte in die Ronde van Europa? Brussels, the capital of Europe.

De zesde etappe in dat jaar bracht de wielrenners over een lengte van 167 kilometer van Roubaix naar de Heizelvlakte, een langgerekte tocht door het glooiende Vlaamse landschap. Wat mij het meest verheugde aan die vrijdag 10 juli was de doortocht van het wielervolk langs de woning van mijn grootouders. Het huis waarin ik vele zomers lang dagelijks de koers zou volgen, maakte zelf deel uit van het decor.

Amper vijf jaar was ik. Een vroegere herinnering die zo levendig is, heb ik niet. Mijn bewustzijn moet toen begonnen zijn. Ons welvoeglijk kleine dorp, het Brabantse Relegem, ontwaakte die dag zoals het dat deed op elke andere zomerse weekdag, met een lichte geeuw en het zachte gezoem van de Brusselse ring op de achtergrond. Alleen de dranghekken langs de hoofdstraat verraadden dat er iets op til was.

Ik weet nog: het typisch Belgische miezerige zomerweer overklast de groeiende feeststemming en opwinding niet. In kleurrijke kledij, zo eigen aan de jaren negentig, wandelt mijn moeder met mijn jongere broer op de arm en mij aan haar hand nog voor de middag naar mijn grootouders Liza en Jef. Bij een eerste blik op het parcours raast een groteske sponsorwagen van Coca-Cola voorbij, mijn fascinatie in een mum van tijd gewekt.

Ik weet ook nog: met de eindstreep amper enkele kilometers verderop, staat de doortocht gepland in de late namiddag. Na elke lichte bui zet de straat zijn stoelen buiten en bediscussieert met grote gebaren wat er zich zonet op televisie heeft afgespeeld. Mijn vader haast zich van zijn werk naar huis en neemt twee collega’s op sleeptouw.

Maar ook de verveling speelt op. Een dag is lang voor een vijfjarige. Ik kijk uit naar de karavaan van sponsors, wat niet meer blijkt te zijn dan een vreselijk saaie vorm van carnaval en bovendien erg luidruchtig. Eerst vlammen nog de honderden technische auto’s, rennersbussen en mediawagens voorbij. Alleen het logo van de BRTN doet een belletje rinkelen. Mijn broer trekt het niet en valt in slaap op de zetel. Standvastig als altijd overschouwt Liza de troepen in haar huis, maar iedereen weet dat ook zij niets liever wil dan dat de helden van de straat zich snel laten bewonderen.

De spanning borrelt opnieuw naar boven wanneer het geronk van de helikopter in de verte te horen is. Voortdurend sprint ik van de tv in de woonkamer naar de hekken aan de straatkant en terug, op zoek naar een herkenningspunt. Ik vind er geen, maar als ze in het nabijgelegen dorp de steenweg opdraaien haasten we ons met zijn allen naar buiten. Opgelaten schuifelt en wringt elke doorgaans hoffelijke dorpsgenoot zich naar de hekken, de ordinaire rust in het landelijke Relegem verstorend met zenuwachtig gekuch. Geen woorden beschrijven wat er dan door een kinderhoofd gaat.

Wanneer het officiële hoofd van de koers enkele minuten later komt aangereden, is de spanning te snijden. Stel je voor dat Museeuw voor onze ogen een gat slaat en zich naar de overwinning rijdt aan de voet van het Atomium. Stel dat Greg LeMond en Miguel Indurain in deze etappe hun strijd beslechten. Stel …

Zoef, zoef. Zoef.

We knipperen met onze ogen. Een groep wielrenners is al uit het zicht verdwenen. De vluchtigheid van een coureur op topsnelheid is indrukwekkend, een voorbode ook voor de vergankelijkheid van de roem die het overgrote deel van het peloton te beurt valt. Een flits, wat geratel en een hoop gekleurde vegen is alles wat er meer dan twintig jaar later rest; de stoet volgwagens een herinnering voor het leven.

Druppelsgewijs komen de anderen, lichtbeschadigd, voorbij. In de straat voor de onze bleken de spekgladde kasseien voor de ervaren renners een horde te veel. Het was een geluk voor de inwoners daar, want zij konden de gevallen sportmannen van naderbij bekijken, hen op gang duwen zelfs. Relegem haalde die avond het internationale nieuws met kinderkopjes uit 1935, het dorp wist meteen ook dat een passage van de Tour de France er niet meer inzat.

Desalniettemin schreeuwden we onze kelen schor. Supporteren doe je met passie, of doe je niet. Slechts één iemand kon de luidste zijn en wees maar zeker dat die persoon mijn grootmoeder was. Ik hoef u niet te vertellen wie die dag de bolletjes aanhad. Virenque reed pas zijn eerste Ronde en verbaasde in de eerste week de wereld toen hij als debutant aanspraak maakte op de gele, groene, witte én bolletjestrui.

Louter voor de volledigheid: de rit van 10 juli 1992 werd gewonnen door een andere Fransman, Laurent Jalabert. Het vormt slechts een kanttekening, van belang is hoe de charme van bergkoning Virenque zich die dag voorgoed genesteld had in een woonkamer in de Dorpsstraat. De vonk moet daar zijn overgeslagen, bedenk ik mij, ook al speelden de herkenbaarheid van rode bollen op een wit shirt ongetwijfeld een grote rol in de chaos van een voorbijrazend peloton.


Illustratie: Joost Dekkers


Met de toewijding van een echte supporter had mijn zorgvuldig uitgekozen plaats aan de Quai Anatole-France weinig te maken. De plek was al bij voorbaat symbolisch om de ontgoocheling van toen ongedaan te maken. Het collectieve geratel van enkele honderden tandwielen kan ik mij nu nog gemakkelijker voor de geest halen dan de aanblik van tientallen zwoegende atleten. Het idee een groep wereldsterren aan je voorbij te zien gaan zonder ze individueel te herkennen, volstaat niet. Je moet kunnen zien hoe Froome op zijn zadel zit, met welke versnelling Armstrong de berg beklimt en wie Tom Boonen na een valpartij achteraan opvist.

Wie het circus van de Tour al heeft meegemaakt, begrijpt ook dat je zoiets desondanks niet snel van je afzet. Een teleurstelling is vaak het gevolg van iets dat indruk heeft gemaakt, slechts gehinderd door de eigen verwachtingen. Op 13 juli 2003 deed ik een nieuwe poging op L’Alpe d’Huez, een bergtop buiten categorie diep in de Franse Alpen.

Met de zomer nog niet halverwege braken de Fransen zich toen al het hoofd over het onrustwekkend aantal hittedoden. De verzengende warmte maakte van onze familiale Alpentrip een exotische vakantie. Zwetend en puffend trokken de renners zich naar de finishlijn bovenaan de berg, gezwind de blikken van enkele honderdduizenden supporters trotserend. Het gejoel moet tot in het dal en op de tegenoverliggende bergwand te horen zijn geweest, zo fenomenaal druk en woelig was de sfeer.

Maar ook hier was de snelheid van de koplopers ontzagwekkend. Aan de buitenkant van een haarspeldbocht zagen we de Spanjaard Iban Mayo zich in zijn eentje naar de overwinning rijden, net genoeg tijd hadden we om zijn rugnummer te lezen. We zagen geletruidrager Armstrong de achtervolging inzetten en uitdager Jan Ulrich tientallen kostbare seconden verliezen. Zijn ster was tanende, maar de bolletjes herkenden we als Virenque – hoe kon het ook anders. Bij de laatkomers, zij die zich hadden leeggereden en alleen maar konden hopen om nog binnen de toegestane tijd te arriveren, waren onze gedachten al elders. Die avond moesten we met de auto in het dal geraken, net zoals een half miljoen andere wielersupporters.

Een jaar later, op 6 juli 2004, doorkruiste het peloton Vlaanderen opnieuw. De derde etappe ging van Waterloo naar Wasquehal. Als eerbetoon aan de voorjaarsklassiekers maakte de Tour een ommetje langs de muur van Geraardsbergen en over enkele kasseistroken uit Parijs-Roubaix. Ik beken: staan zwaaien met vlaggen voor een rittenkoers op het heilige domein van onze eigen klassieker, voelde vreemd. Terwijl zijn supporters aan de overzijde Tom Boonen op de straatstenen verfden, scandeerden ze ononderbroken zijn naam, net zoals ze dat in april gedaan hadden. Ik kon niet wennen aan dat idee en voelde de spanning wegebben. Tien seconden rennerszweet op een totaal van tachtig uur, meer kon ik op dit stuk weg niet verwachten.

Virenque deed dat jaar mee aan zijn laatste ronde. In dezelfde anonimiteit als tientallen andere renners reed hij de muur op. De bolletjestrui zou hij pas later veroveren, nog één keer zou hij in het shirt langs de Eiffeltoren fietsen. Voor mij was het een afscheid in mineur. De voortschrijdende tijd werd definitief onklopbaar toen een van mijn jeugdhelden met pensioen moest.

Deze zomer zou ik wel weten wie de eindwinnaar was, zou ik Virenque niet meer zien en op zoek moeten gaan naar een nieuwe hoofdrolspeler in mijn Tourverhaal. Alles zou anders zijn.

Gedecideerd had ik daarom net na de middag de metro naar de Seine genomen. In het zuiden van Parijs had het gure weer het leven lamgeslagen. Haastig zoekend naar beschutting, of de straat overschouwend achter gesloten vensters was er voor de Parijzenaren niets feestelijks aan deze zondag.

Wat normaal is, begint al snel te vervelen. Als enige supporter sta ik aan de Pont de la Concorde in het gezelschap van tientallen gendarmes. In fluogeel hebben ze elke tien meter postgevat, ook al duurt het nog uren vooraleer de eerste renner zal opdagen. Het korps telt agenten uit alle hoeken van het land, het peloton voorafgaand als een privé-bewakingsfirma. Vriendelijk staan ze de vragende passanten te woord. De weg naar de dichtstbijzijnde metro geven, kunnen ze niet. Met gepaste strengheid wijzen ze wagens en moto’s de weg, verdwaalde lopers proberen tevergeefs de verkeerde kant van de dranghekken uit.

Is de gietende regen een afspiegeling van de gemoedstoestand van de Parijzenaren? Het lijkt zo. Als een verloren schaap kijk ik neerslachtig in het rond, mijn regenjas hangt als een vod om mijn lijf.

Wanneer de karavaan zich aankondigt, zetten de agenten zich nog iets strakker in het gelid. Het Franse parlement vraagt eerbied en respect. De oceaan van reclamegeweld slaat mij nogmaals met verstomming. Honderden auto’s en vrachtwagens, beplakt met een duur logo, rijden overdreven snel naar de eindstreep. Duurzaamheid is een vaag begrip in de schoot van een massa-evenement.

Anderhalf uur later volg ik doorweekt en klappertandend de voortgang van de koers op mijn smartphone. De flessen champagne die de renners traditiegetrouw al bij aanvang van de slotrit op de fiets ontkurken, troosten niet. De lege lanen en de volgepakte toeristenboten op de rivier zorgen amper voor afleiding. Stilaan vullen de kades zich, maar nergens staan supporters in rijen achter elkaar. Eerder onverwacht komt een golf van applaus uit de verte aangewaaid.

Vooraan rijdt geletruidrager Froome, sterk contrasterend met het strakke zwart van zijn ploegmaten bij Team Sky. Straks steekt hij zijn tweede eindzege op zak. Peter Sagan, herkenbaar in het groen, volgt op korte afstand. Meer tijd heb ik niet om de anderen een plaats te geven, maar deze keer is het slechts een begin. Aan Place de la Concorde zet ik mij achter een stel Russische toeristen. Een uur lang klinkt in de verte een commentaarstem uit een box en kan ik de wedstrijd volgen op een groot scherm. Ondertussen snellen de renners elke vijf minuten voorbij. De Colombiaan Quintana zie ik nog, Vincenzo Nibali en Alberto Contador.

Maar de grootste verrassing blijft bewaard tot het einde, wanneer ik mij de commentator van de Franse Eurosport en Europe 1 in de buurt van de finishlijn gewaarword. Virenque, die na zijn carrière als wielrenner door een zware val op zijn neus zijn reukzin verloor, is al de hele dag op enkele honderden meters van mij aan het werk voor televisie. Als ambassadeur van een paar sponsors hangt hij ook na de rit in het wielerdorp rond, nog steeds grenzeloos populair bij de Fransen. Mijn geluk voedt de weergoden, want net op het moment van die ontdekking breekt de zon door het wolkendek.

Neen, denk ik, niets is veranderd na 23 jaar. De Ronde van Frankrijk blijft een verslaving en Richard Virenque maakt daar onvermoeibaar deel van uit. In de coulissen van dit wielercircus zal hij nog wel een tijdje een tweede thuis vinden. Ik vraag mij af wat mijn grootmoeder hiervan zou denken. Ze wordt negentig straks, maar ik weet dat ze thuis alles op televisie gevolgd heeft. In schemertoestand, alleen recht verend wanneer haar nieuwe wielergod in beeld verschijnt: Peter Sagan, de sprintkoning uit Slowakije.

Dit verhaal is geschreven door Len Buggenhout en kwam tot stand dankzij een residentieproject voor schrijvers van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.
Deel op of
Joost Dekkers
b
a
a