Hard//hoofd

Kunst als oefenruimte. In gesprek met Ola Lanko / Luister hier de podcast

De beroeps​kunstenaar

Carrièrereeks (III)

Tekst Tommy de Bruijn

Een baan: misschien heb je er één, misschien niet. Die van anderen lijkt vaak leuker. Vroeger dacht je dat het heel wat was, als je ouders naar kantoor gingen. Nu zit je er zelf en realiseer je je dat iedereen maar wat doet. Hard//hoofd gaat op zoek naar wat dat nu precies is, een carrière.


Deel III: De beroepskunstenaar. Tommy de Bruijn praat met Benjamin Andreas Harder Harpsøe, een jonge Deense kunstenaar. Twijfelt hij weleens aan zijn gekozen pad?

De kop van een ram prijkt op een statief, behangen met stroomkabels. De kabels leiden naar massageapparaten die verspreid liggen over de houten vloer. Op vaste tijden worden ze ongezien geactiveerd en is het geratel een helse kakofonie. In de hoek van de ruimte hangt een iPad aan de muur met daarop een filmpje van een Tibetaans religieus instrument ondersteund door de geluiden van een ouderwetse inbelmodem. Ohmmmm - Krrrrr chhhh bzzt bzzt chhhh.

Het werk heet The Meeting Point of Two Bodies Of Water. en was te zien op een tentoonstelling waar een selectie uit werk van de meest veelbelovende jonge kunstenaars van 2016 getoond werd. Voor de net afgestudeerde kunststudent kan een tentoonstelling als deze zijn carrière aftrappen, en aangezien er ook werk verkocht wordt, kan dit tevens weer een paar weken lang brood met pindakaas opleveren.
Zijn uitstraling is vriendelijk en hartelijk, als een grote honingdas

Daar hoopt Benjamin Andreas Harder Harpsøe (DK) ook op. Voor hem is het menens: kunstenaar is zijn gekozen beroep en hij doet er alles aan om op te vallen. Niet dat dit moeilijk zal zijn: hij is een imposant figuur, groot en gezet en breed, met een lange beige jas en een wilde zwarte baard. Maar zijn uitstraling is vriendelijk en hartelijk, als een grote honingdas.

Wat houdt zijn beroep precies in? Wat kost het, letterlijk en figuurlijk, om kunstenaar te zijn in deze tijd? Voor kunstenaars, en hier is Benjamin niet anders in, lijkt een keuze voor het kunstenaarschap eerder een roeping waar gehoor aan gegeven wordt. Waar komt hij van rond, wat moet hij opgeven, en wordt hij daar gelukkig van?

‘In meerdere artikelen die ik gelezen heb staat dat kunstenaars culturele makers zijn. Ik haat die term, maar er valt wat voor te zeggen. “We” maken in ieder geval geen vermaak. Niet dat kunst niet vermakelijk kan zijn, maar wat kunstenaars eigenlijk doen is iets blootleggen. Ik wil het niet “mens-zijn” noemen, maar eerder de voorwaarden voor menselijkheid. Je werkt vanuit een plek waar je grote, overkoepelende systemen in ogenschouw kunt nemen en wellicht kan bekritiseren, of juist op minuscuul niveau iets kunt bespreken, zoals de intentie van één penseelstreek. De kunstenaar heeft, naar mijn mening, een verantwoordelijkheid.
Ik vind dat “kunstenaar” een beschermde titel moet worden, net als dokter of architect.

Ik vind dat “kunstenaar” een beschermde titel moet worden, net als dokter of architect. Dat je alleen jezelf kunstenaar mag noemen als je afdoende gestudeerd hebt. Een groot deel van de zelfbenoemde kunstenaars verdient de titel niet. Toen Joseph Beuys zei dat iedereen een kunstenaar was, bedoelde hij niet dat iedereen zomaar mag claimen een kunstenaar te zijn. Kunst moet sociaal relevant zijn, vragen oproepen en het publiek aan het denken zetten. Hoewel vorm belangrijk is, is het niet alles. Hier is educatie onmisbaar: door je te wijden aan de kunstpraktijk, en door onderwezen te worden door kunstenaars, leer je langzamerhand je vorm van boodschap te voorzien, te doordrenken. Kunst is een discussie, kunst is politiek. Kunst blijft een utopische toepassing, en moet naar mijn mening voortgang bieden, op wat voor manier dan ook. Dat is de verantwoordelijkheid van de kunstenaar. Ook ben ik van mening dat het werk leesbaar moet blijven voor het publiek, zonder dat het te “makkelijk” wordt. Maar het is aan de kunstenaar om het publiek een weg te verschaffen om het werk te betreden, als het ware. Ook dat valt onder de verantwoordelijkheid van de kunstenaar.

Ik ben altijd creatief geweest, naar het schijnt. Mijn moeder zou dat beamen. Toen ik jong was en ze was iets kwijt, een stuk gereedschap of een spatel of zo, was de kans groot dat ik het aan iets anders had vast getapet; ik maakte mijn eigen speelgoed van haar spullen. Dus ja, ik leef het cliché, ik geloof dat ik nooit iets anders had kunnen doen.

Voor m’n twintigste leerde ik voor grafisch technicus, en rond diezelfde tijd begon ik voor het eerst met werk maken dat een meerwaarde kreeg voor mezelf; het was meer dan “gewoon” tekenen of plaatjes maken. Het werk bevatte intentie, een doel, een concept. Ik begon toen overal ideeën en concepten in te herkennen. Tijdens mijn stage maakte ik veel zeefdrukken, soms dagenlang dezelfde afbeelding, en besefte dat het een soort opvoering zou kunnen zijn, het papier dat tot in de oneindigheid op de grond blijft vallen. Een hoop ideeën die ik toen had waren niet bepaald sterk, maar de behoefte om ze verder uit te werken was er.
Nu ben ik blut, heb ik geen werk (in de traditionele zin) en ben ik ongelooflijk gelukkig.

Nu ben ik blut, heb ik geen werk (in de traditionele zin) en ben ik ongelooflijk gelukkig. Wel mis ik de gratis studio die de Academie bood. Pas in het laatste jaar zijn de meeste leerlingen het productiefst en maken ze hun beste werk; omringd zijn door andere kunstenaars werkt dan inspirerend. Maar ook na de Academie is het mogelijk om jezelf te omringen met goede kunst, al vereist het wel zelfdiscipline om naar alle openingen en galeries te gaan. En, ik moet toegeven: soms is het een eenzaam bestaan.

Ik heb het altijd moeilijk gevonden om gewoon te beginnen met werken. Ik zit eerder een maand lang achter een bureau naar een scherm te staren om te lezen, onderzoek te doen, mijn eerdere werk door te nemen, en daaruit te laten komen wat ik hierna moet doen. Met dat proces gaat een hoop angst en spanning gemoeid. Wat als er nooit iets uitkomt? Was mijn laatste goede idee ook echt mijn laatste goede idee?
Ik heb verzekering aangekocht via mijn vakbond, zodat ik in ieder geval niet dakloos, werkloos, drankloos en hongerig zou zijn

Er zijn niet veel kunstenaars die volledig rond kunnen komen van hun kunst. Ik moet wel bepaalde dingen opgeven, maar niets waar ik niet mee kan leven. Vóór de kunstacademie kocht ik af en toe nieuwe kleren; ik heb nu al jaren niks nieuws gekocht, behalve ondergoed en sokken bij de Hema in Nederland. Ik wist dat mijn studiefinanciering van de Deense overheid zou stoppen na het afstuderen, dus ik heb een verzekering aangekocht via mijn vakbond, zodat ik in ieder geval niet dakloos, werkloos, drankloos en hongerig zou zijn na het afstuderen. Dit is heel gewoon in Denemarken. Al dat geld gaat op aan mijn werk en de kosten van het leven, en ik vind het niet erg om bonen en haver te eten. En ik kan ook op mijn vrienden rekenen. Als ik uit eten ga – en een sociaal leven is wel een luxe die ik mezelf toesta te hebben – ga ik meestal naar plekken waar vrienden werken voor korting, of gewoon naar goedkope tentjes. Als ik naar kunst wil kijken word ik creatief. Zoals laatst, toen in de National Gallery een opening voor een nieuwe tentoonstelling plaatsvond. Ik ben toen na een glas champagne de grote galerij ingeslopen om de volledige collectie te zien.

Ik heb niet het idee dat veel mensen om me heen het traditionele carrièrepad bewandelen: afstuderen, een baan vinden, een huis kopen, kinderen krijgen. Iedereen die ik ken doet iets voor zichzelf, en werkt van project naar project. Toen ik jong was dacht ik nog dat het leven vrij rigide was en een van tevoren bepaalde agenda zou volgen. Maar dan word je ouder en besef je je dat niets vaststaat.
Financieel ben ik in ieder geval een stuk minder succesvol dan sommige vrienden

Aan de ene kant ben ik tevreden - m’n werk is goed ontvangen en er is over geschreven in de pers. Wel heb ik de gewoonte om met afgunst naar anderen te kijken die verder zijn in hun carrière, in kunst of anderszins. Financieel ben ik in ieder geval een stuk minder succesvol dan sommige vrienden. Ik moet af en toe wel een stap terug doen als ik merk dat ik jaloers ben, en naar de situatie kijken vanuit een minder emotioneel beladen plek. Ik ben me wel bewust van mijn gebreken en probeer het me niet in de weg te laten zitten. De motivatie die ik voel is dan ook een goed iets; ik geloof in mezelf en mijn werk en eerlijk gezegd wil ik ook gewoon de beste zijn, wat dat ook betekent.’



Beeld ‘The Meeting Point of Two Bodies Of Water’: Benjamin Andreas Harder Harpsøe
Deel op of
Tommy de Bruijn schrijft, is eindredacteur. Ook ontwerpt hij interactieve installaties, als hij niet in een stoffig museum zit.
b
a
a