Hard//hoofd

Zomerboek

Tubbergen

Column

Tekst Iduna Paalman &
Illustratie Tsjisse Talsma

Hard//hoofd heeft een nieuwe columnist! Na het open einde van Kasper van Royen hebben we eindelijk een geschikte opvolger gevonden. Wij verwelkomen dichter, (toneel-)schrijver, winnaar van de Lowlands Schrijfwedstrijd 2016 en docent Duits Iduna Paalman. Om de woensdag zal zij haar woorden laten dansen op onze website, met illustraties van Tsjisse Talsma.


Of ik als nieuwe docent mee wilde op tweedeklaskamp naar Tubbergen, Twente. Met 79 dertienjarigen en vier begeleiders kwamen ze echt nog wat handen tekort. Wat er op het programma stond? Stevig wandelen in natuurreservaat Het Springendal, een speurtocht rondom de vakwerkhuizen in Ootmarsum, eten in een oud raadhuis. Ik heb geleerd dat assertief nee zeggen ‘m zit in zacht op de relatie en hard op de inhoud. ‘Ik begrijp dat jullie nog flink op zoek zijn en ik hoop dat jullie geschikte krachten vinden’, zei ik, ‘maar ikzelf kan helaas niet deelnemen.’

Toen zag ik plots het strijdlustige gezicht van Jeanine la Tarravé voor me. Het popte op, en daarna ook het warrige hoofd van Mark Dak. Ik begon me dingen te herinneren.

In de tweede klas van mijn eigen schooltijd gingen we op kamp naar Tsjechië. Het plan was om er een week te gaan wandelen met de tassen en de tenten op onze rug. Lopen, tent opzetten, koken op gaspitjes, slapen, volgende ochtend de tocht vervolgen. Leuk plan, ware het niet dat ons mentorduo, la Tarravé en Dak, behept was met de taak onze klas te begeleiden. La Tarravé, midden zestig en koppig als een klapperende deur, had bedacht dat ze niet in een tent, maar in een hangmat wilde slapen. ‘Er zijn daar bomen genoeg’, zei ze tijdens het mentoruur.
‘Maar moet je horen’, zei Dak, die dertig jaar jonger was dan zij, ‘als het regent dan? Ik vind dit geen goed voorbeeld voor de kinderen.’
‘Een hangmat lijkt mij ook wel wat’, zei een klasgenoot.
‘Wij zijn helemaal geen kinderen’, riep een tweede.
Jeanine la Tarravé beweerde dat het nauwelijks regende in deze tijd van het jaar. ‘Als ik niet in mijn hangmat mag’, zei ze, ‘kan ik helaas niet deelnemen.’

‘We hebben gehoord dat u meegaat naar Rukbergen’, zeiden de leerlingen op de gang tegen mij.
‘Tubbergen’, zei ik, ‘en ik weet nergens van.’
Maar ik weet hoe het gaat met assertief nee zeggen, dat wordt vervolgens in een pan gestoofd en gegaard en suggestief gekruid totdat het alsnog als malse toezegging uit het vocht wordt getrokken.
‘Twee van de vijf dagen zou al enorm helpen’, zei een collega.

Op de tweede dag in de Tsjechische bergen begon het ‘s avonds zachtjes te regenen. De klas zuchtte. La Tarravé had haar hangmat al tussen twee bomen gehangen maar Dak nodigde haar toch maar uit in zijn kleine tentje. De hangmat bleef eenzaam hangen.

‘We hebben gehoord dat we in uw auto zijn ingedeeld naar Rukbergen’, zeiden de leerlingen de volgende dag op de gang tegen mij.
‘Tubbergen’, zei ik, ‘en ik weet echt nergens van.’
Dit gaat niet goed, dacht ik.

De derde dag verdwaalde de groep van la Tarravé. We hadden ons opgesplitst omdat de ene helft van de klas halfgare knakworsten wilde blijven eten onder de overdekking van een benzinestation (het regende nog steeds) en de andere helft verder wilde wandelen.
La Tarravé zei: ‘Wij gaan alvast’, en liep kordaat een zandweg op. De helft, waaronder ik, volgde haar.
Na een uur begon ze steeds driftiger op haar geplastificeerde landkaartje te kijken. Ik vroeg of we de goede kant opliepen. ‘Ja, natuurlijk’, zei ze.
Na drie keer een ingeslagen weg weer teruglopen vroeg ik het nog een keer. ‘Ik weet het niet meer’, zei ze. Het werd al donker.
La Tarravé probeerde Dak te bereiken op zijn mobiele telefoon. Geen bereik. Ze keek ons aan, maar voor leerlingen waren telefoons op overlevingskampen verboden.
Het werd donkerder.
Pas na tweeënhalf uur lopen en drie keer aanbellen bij ingezakte boerderijen zaten we weer op de goede weg. De ontlading was groot toen we de andere helft van de klas eindelijk terugvonden, laat in de avond. We gilden toen we elkaar zagen, sommige meisjes begonnen te huilen. Een klasgenoot haalde een blik knakworsten en een gasbrander uit zijn tas. Een ander spande de hangmat van la Tarravé tussen de bomen uit als regenscherm. We legden onze hoofden tegen elkaars regenjassen en zongen opgelucht meerstemmige canons. Elkaar terugvinden was het leukste dat er dit kamp was gebeurd.

Een paar jaar na Tsjechië, ik was nog niet van school, stierf Jeanine la Tarravé. Uitbehandelde kanker. De klas bezocht haar in het ziekenhuis, stond om haar bed stil naar haar te kijken. ‘Bepaald geen hangmat dit’, zei ze, ‘maar zouden jullie een meerstemmige canon voor me in kunnen zetten? Eerder kunnen jullie helaas niet weg.’

‘We hebben gehoord dat u in Rukbergen de bonte avond gaat presenteren’, zeiden de leerlingen op de gang.
‘Tubbergen’, zei ik, ‘en ik weet nog steeds nergens van.’
Dit loopt uit de hand, dacht ik, ik moet iets doen. STEL EISEN, hoorde ik la Tarravé van verre roepen.
‘Ik zocht je net’, zei de collega toen ik hem gevonden had. Hij wilde iets zeggen maar ik was hem voor. ‘Op één voorwaarde’, zei ik. ‘Dat ik in een hangmat mag.’


Deel op of
Iduna Paalman (1991) is Hard//hoofdcolumist. Ze studeerde Duitse taal en cultuur en Duitslandstudies in Amsterdam en Berlijn. Ze debuteerde in 2012 bij uitgeverij Lemniscaat met Hee maisje!, een bundel (zeer) korte verhalen. Naast verhalen schrijft ze gedichten en maakt ze theater en muziek. // iduna@hardhoofd.com
Tsjisse Talsma gaat het liefst met zijn schetsboek de wereld rond.
b
a
a