Hard//hoofd

Jente Hoogeveen - Koolhydraatvariaties

Prikken in de hoofdhuid

Thuis (I)

Tekst Daan Steinebach &
Illustratie Eline Schipperen

Daan Steinebach gaat op zoek naar de betekenis van ‘thuis’. In een drieluik essays wil hij voor Hard//hoofd de idee thuis verkennen, het omverwerpen, en dromen over een alternatief.


‘In isto loco dabo pacem.’ Altijd als ik langs de Duifkerk aan het Amstelveld in Amsterdam kom moet ik even stoppen om die zin te lezen, meestal nauwelijks hoorbaar gemompeld, hardop, als klein gebed. ‘Op deze plek geef ik u vrede.’ Geenszins uit geloof maar uit fascinatie voor die woorden, voor het sentiment van het idee dat er een plek is waar vrede is. Dat je hier, op deze plek veilig bent. Thuis, zou je kunnen zeggen.
Iedereen weet wat het is, thuis, maar niemand kan het je vertellen.

Iedereen weet wat het is, thuis, maar niemand kan het je vertellen. Het is een plek, specifiek en particulier, een deel van het geheel aan ruimte op aarde die zich onderscheidt juist omdat het van jou is en omdat het dáár is, niet ergens anders. Je kunt het relativeren, zeggen dat het subjectief is, dat de hele wereld hetzelfde is en je daar maar om toevallige redenen wil wonen. Maar dat is te makkelijk. Het is hetzelfde toeval dat bepaalt wie je ouders zijn en ook al is het zo, het is niet zomaar.

Het heeft me altijd gefascineerd, dat thuis. Maar vooral: niet thuis zijn. Het is een gevoel in mijn buik, ergens onderin, waar je basaalste instinct huist, ongemak, of gewoon angst. Herinneringen: huilen, naar huis bellen, logeerpartij voorbij. Soms is het er nog, die tinteling, datzelfde ongemak, niet eens onprettig. Om het dan weer te vergeten. Maar helemaal kwijt ben ik het niet, terug willen naar die kleine, veilige, overzichtelijke wereld. Naar huis verlangen.

Een plaats om beu te worden
Sigmund Freud begreep dat de menselijke psyche werd geregeerd door tegengestelde instincten. Tegenover liefde staat de dood, Eros tegenover Thanatos. Dat inzicht, samen met de constatering dat het psychisch leven van het eerste begin wordt gevormd door een complexe dynamiek tussen afhankelijkheid, agressie en identificatie, is de kern van de psychoanalyse. De implicaties daarvan gaan veel, of juist, verder dan de spreekkamer met sofa, ze bieden een diepgaand inzicht in de mens – en dus de politiek.

De basis voor de dynamiek tussen liefde en haat wordt gelegd in de relatie van de pasgeboren baby met zijn moeder, of specifieker: haar borsten. De liefde die een kind voelt voor zijn moeder gaat altijd samen met frustratie over de bevrediging van zijn behoeftes – die per definitie onvolledig is. Gevoelens van liefde gaan dus vanaf het eerste begin al samen met die van haat, en fantasieën over bevrediging van behoefte met die over destructie van degene die faalt in die bevrediging. Tegelijkertijd zorgt dat weer voor de angst juist datgene te vernietigen waar zijn hele leven om draait en waarvan het kind volledig afhankelijk is.
Om zich veilig te voelen moet steeds bevestigd worden dat de moeder niet is vermoord

De dynamiek die op gang komt zorgt ervoor dat behoeftebevrediging al snel niet meer voldoende is: het is ook de bevestiging dat dat wat in fantasie vernietigd is, en waarvan de baby niet weet of het echt zo is, er nog is. In essentie richt de agressie zich ook niet op een ander, maar op het leven zelf: moedermoord is zelfmoord. Om zich veilig te voelen moet steeds bevestigd worden dat de moeder niet is vermoord – of ondanks de moord toch nog leeft.

Psychoanalist Melanie Klein (in debat met Anna Freud, samen met Klein grondlegger van analyse bij kinderen) zegt dat deze dynamiek van agressie ervoor zorgt dat schuldgevoel inherent deel wordt van gevoelens van liefde. Echte affectie is betrokkenheid bij een ander tegenover wie we ons schuldig voelen en waarvoor we dus, in een poging tot reparatie, onszelf willen wegcijferen. Door ons te identificeren met de mensen waar we om geven kunnen we, in onze fantasie, de vroegste frustraties repareren door ons voor te doen als onze ouders – of de ouders die we nooit hadden. Tegelijkertijd spelen we de rol van het kind dat we hadden willen zijn. Met andere woorden: in liefde proberen we voortdurend de leegte op te vullen uit het verleden en zo de pijn te repareren die daarmee gepaard gaat.
Wat Freud begreep is dat mensen geen volmaakte wezens zijn.

Wellicht valt de hedendaagse impopulariteit van Freud en zijn volgelingen te verklaren door het feit dat het weinig hoopvol is. De genezing die de moderne psychologie beloofd is volgens de psychoanalyse helemaal niet mogelijk. We draaien steeds in cirkeltjes, zonder echt verder te komen – sterker nog: we eindigen precies waar we zijn begonnen, niet-levend. Ook de romantische liefde, kloppend hart van het Westerse zelfbeeld, is niet wat we ons ervan voorstellen, want eigenlijk zoeken we steeds naar nieuwe versies van onze ouders. Om vervolgens een rol te spelen, als tegelijkertijd ouder en kind, om iets te repareren wat niet te repareren valt.

Toch denk ik dat Freuds inzichten waardevol zijn, wat ook zij van de wetenschappelijke waarde. Wat Freud begreep (en de moderne, conventionele psychologie niet) is dat mensen geen volmaakte wezens zijn. Dat geeft ruimte om te begrijpen, juist omdat het besef van tekort de behoefte tot idealisering wegneemt en daarmee de mist die die behoefte optrekt. Freuds doel met psychoanalyse was geen genezing van psychisch lijden, hooguit acceptatie van ons lot.
Het eerste thuis speelt een bepalende rol in ons leven

Iemand die evenmin geïnteresseerd was in nodeloos optimisme was Patricia de Martelaere, de Belgische schrijfster en filosofe. In haar werk is Freud nooit ver weg – net als Wittgenstein en Schopenhauer trouwens, ook al van die duistere meesters. In het essay ‘Thuis. Een plaats om beu te worden’ vergeleek ze het thuis met de liefde.

Volgens De Martelaere speelt het eerste thuis een bepalende rol in ons leven, in de instantie die direct volgt op die van de ouders. Het is de eerste plek die we kennen. Het heeft een functie die vergelijkbaar is met die van de ouders in het latere psychisch leven, die van mythisch ideaal én trauma ineen, waar we tegelijkertijd naar op zoek en mee in gevecht zijn. En ook De Martelaere komt uit op een tekort (waarin zij wellicht nog rigoureuzer is dan Freud). Eerst schrijft ze: ‘Overwinnen doet de liefde nooit, ze eindigt altijd.’ En dan: ‘De tragiek van het huwelijk is de tragiek van het huis.’ Om toch weer onuitstaanbaar nuchter te eindigen met het advies vaak genoeg op vakantie te gaan en uiteindelijk te verhuizen. Als je het beu bent. Hoe dat voor de liefde zit laat ze maar voor wat het is.

De macht van vaders
Een van de makken van de psychologie is dat ze de neiging heeft te stoppen bij de hoofdhuid. Ze concentreert zich op de psyche als op een losstaand ecosysteem, onafhankelijk van wereldse zaken als recht en politiek. Tegelijkertijd lijkt het politieke denken aan hetzelfde euvel te lijden, door de scheiding van publiek en privé, maar ook door een vaak onbewuste acceptatie van psychologie als gegeven feit. Terwijl, als je goed kijkt, geen van beiden echt van elkaar te scheiden valt – zoals, zou ik willen zeggen, elke scheiding in het denken artificieel is.

In werkelijkheid is die scheiding niet zo absoluut, de overgang is niet binair. Veel eerder is het een drempel of (zonder de metafoor helemaal te willen uitmelken) een hoofdhuid: een niet geëffend oppervlak, met gaten en bobbels, vaak paradoxaal en nooit helemaal grijpbaar.
Terwijl vrije burgers in Rome de enigen waren die deelnamen aan het publieke leven konden ze nooit helemaal ontsnappen aan de macht van hun vader

De denker die misschien nog wel het dichtst in de buurt komt van die grens is de Italiaanse filosoof (en jurist, niet onbelangrijk) Giorgio Agamben. In zijn Homo Sacer: De soevereine macht en het naakte leven graaft hij naar de duistere oorsprong van de soevereiniteit en stuit zo op precies diezelfde drempel. Agamben beweegt soepel tussen logica, ontologie, Carl Schmitt, Hannah Arendt en Michel Foucault, maar het interessantst is misschien nog wel zijn inzicht in de antieke rechtsgeschiedenis, in de Romeinse figuur van de vitae necisque potestas: de macht van een vader over het leven van zijn zonen. Deze macht was letterlijk die over leven en dood: een vader kon zijn zoon zonder proces en zonder een moord te begaan doden. Wat dit zo belangrijk maakt is niet de macht om te doden want die hadden Romeinse burgers ook over hun vrouwen en dochters, maar dat hij absoluut was (dat was die over vrouwen niet) en dat vrije burgers (meerderjarige zonen) er aan onderworpen waren. Terwijl vrije burgers in Rome de enigen waren die deelnamen aan het publieke leven konden ze nooit helemaal ontsnappen aan de macht van hun vader – van hun thuis.

Deze sinistere macht van vaders over zonen, zegt Agamben, is de oorsprong van de latere soevereiniteit van de staat. De soeverein heeft precies die macht over zijn burgers. Iedere burger bevindt zich in zekere zin dus nog steeds in dezelfde paradoxale positie als de Romeinse zoon – met het recht deel te nemen aan het publieke leven, maar toch onderworpen aan de dood. Deze vroege soevereiniteit wijst op een ander thuis: het ‘thuis-in-de-staat’.
‘Geef me vrede!’ Tot god richten we ons allang niet meer

‘Geef me vrede!’ Tot god richten we ons allang niet meer, ooit de enige instantie in zaken van leven en dood. We richten ons tot de staat, de natie, de gemeenschap. Hoezeer we ons de staat ook voorstellen als neutraal, functioneel en vooral publiek, de scheiding blijkt geperforeerd door het kolkende verlangen naar identificatie en afhankelijkheid. Naar een vader die zorgt, naar gemeenschap en natie. Maar in een wereld waarin die woorden steeds minder betekenen, roept men steeds harder – Trump, Wilders, Brexit, Le Pen. En tegelijk is het verlangen naar gemeenschap en natie ook precies wat zo ruw uiteengerukt wordt aan de randen van de Middellandse Zee. Overal verschijnen naakte, op drift geraakte lichamen aan de poorten van dat oude, veilige thuis en zoals ze daar staan stellen ze de vraag: wie is er nog thuis?

Lees over twee weken meer in deel II van dit drieluik: Naakte lichamen.




Deel op of
Daan Steinebach is Hard//hoofd-redactielid, studeert rechten (VU), kwalificeert zich als politieke junkie maar is ook wel eens in een museum of op de bank met een boek. 'The world can move, or not, by changing some words,' zei Toby Ziegler. De wereld bewegen, dat zou Daan geweldig vinden. Hij probeert het voorlopig met woorden.
Eline Schipperen is in het dagelijks leven enorm gefascineerd door de mens. Waarom doen we wat we doen? En wat heeft dit voor invloed op de samenleving? Als illustrator verwerkt ze deze fascinaties in haar werk.
b
a
a