Hard//hoofd

Zomerboek

Uitbesteding

Het cadavre (XVII)

Tekst Emma Stomp &
Illustratie Liesbeth de Feyter

In het Cadavre staren schrijvers nooit naar een leeg vel papier. Ze gebruiken de laatste zin van hun voorganger als begin voor iets nieuws. Zo spelen ze een woordspelletje dat al jaren geliefd is bij verveelde kinderen en Parijse surrealisten.
Vandaag schrijft Emma Stomp verder met de famous last words van Daan Steinebach.


‘Ik huil en ik blijf huilen, als een kind alleen op de wereld,’ zegt Dave.
Hij heeft zijn vest tot zijn kin dichtgeritst ook al is het zomer. Het is de tweede keer in mijn leven dat een man van middelbare leeftijd mij een inkijkje geeft in zijn gevoelshuishouding. De eerste keer was toen ik mijn vader in de garage betrapte met een sigaret in zijn hand.
‘Grote mensen hebben soms behoefte aan een beetje ontlading,’ had hij gezegd.
Dat was ook de periode waarin mijn moeder weken achter elkaar bezig was met iets wat moest doorgaan voor een lenteschoonmaak. Toen ze dozen begon in te pakken waar ze met viltstift ‘ADA’ en ‘TON’ op kalkte wist ik dat het om iets heel anders ging.

Nu heeft mijn moeder voor de tweede keer iemand aan de kant gezet, alleen hoeven er dit keer geen dozen aan te pas te komen om de boodschap duidelijk te maken. Ze heeft vooral dingen niet gedaan: haar telefoon opnemen, hem liefdevolle berichtjes sturen en langskomen. Toen de bel een kwartier geleden ging was mijn moeder plotseling verdwenen naar de badkamer en had ze gevraagd of ik open kon doen. Ik weet niet of het pedagogisch verantwoord is om je kind als bemiddelaar te laten optreden wanneer het om het beëindigen van je relatie gaat, maar mijn moeder is nou eenmaal iemand die dingen graag uitbesteedt.

Dave is de eigenaar van een garage en ik denk dat hij het jammer vindt dat ik geen jongen ben, of een meisje met een gezonde interesse in auto’s, dan hadden we iets om over te praten gehad.
‘Hoe gaat het op school?’ vraagt hij meestal. ‘Nog leuke dingen geleerd?’
Waar hij en mijn moeder het over hebben weet ik niet. Misschien is dat ook wel de reden dat ze hem niet meer belt.

Dave is een man met grote handen die leren jasjes draagt en zijn autosleutels met een boog op tafel gooit, maar vandaag ziet hij er breekbaar uit. Zijn handen zitten verstopt in de zakken van zijn vest.
‘Misschien kun je op een ander moment terugkomen?’ opper ik, vooral omdat ik me met zoveel verdriet geen raad weet.
‘Dat kan niet,’ zegt Dave. ‘Ze moet nu naar beneden komen, anders word ik gek.’
Ik wil Dave niet gek zien worden, ik weet dat hij genoeg spierkracht heeft om de bloempot naast de voordeur aan scherven te brengen.
‘Mam!’ roep ik, terwijl ik op de badkamerdeur klop. ‘Dave wordt gek, je moet nu naar beneden komen.’
Mijn moeder opent de deur. Ze heeft de panterbadjas aan die ze draagt wanneer ze ziek is.
‘Ik kan ook niks aan jou overlaten.’
Vanuit mijn slaapkamerraam kijk ik toe hoe mijn moeder Dave het tuinpad wijst. Zo ziet een man met pijn eruit, denk ik.

Over drie weken borduurt Martin Rombouts verder op Emma's laatste zin.


Deel op of
Emma Stomp (1994) schrijft over alles wat ze niet begrijpt: van vreemde Mexicaanse gezegdes tot aan het wakker worden naast een onbekend lichaam. Op doordeweekse dagen studeert ze sociologie, waar ze vooral veel moet lezen over gentrification.
Liesbeth de Feyter studeerde schilderkunst en beeldverhalen aan Sint Lucas in Brussel. Ze werkt als freelance illustrator en striptekenaar en maakt poëtische beelden met een luguber kantje.
b
a
a