Hard//hoofd

Zomerboek

Tweede leven

Het cadavre (XV)

Tekst Dorien Dijkhuis &
Illustratie Reinout Dijkstra

In het Cadavre staren schrijvers nooit naar een leeg vel papier. Ze gebruiken de laatste zin van hun voorganger als begin voor iets nieuws. Zo spelen ze een woordspelletje dat al jaren geliefd is bij verveelde kinderen en Parijse surrealisten.
Vandaag schrijft Dorien Dijkhuis verder met de famous last words van Ezra Hakze.


‘Mijn gedachten ruiken naar kringloopwinkels’, zei hij. Hij lag al een tijdje te woelen. Daardoor was ik ook wakker. Ik draaide me naar hem toe en knipte het bedlampje aan.
‘Hoe bedoel je?’
‘Alles wat ik bedenk is al eens eerder bedacht.’
Ik slikte een zucht in. ‘Daar gaan we weer,’ dacht ik, ‘niet wéér een onzekere periode vanwege zijn boek.’ De vorige keer kostte het bijna onze relatie.
‘Welnee! Je bárst van de originele ideeën.’
‘Alleen maar clichés,’ jammerde hij, ‘afgelikte boterhammen.’ Hij kreunde getergd. ‘Zie je? Ik kan niet eens een originele metafoor bedenken voor een cliché.’
Buiten sloeg de kerkklok drie keer, in de tuin van de buren jankte een kat. Ik streelde zijn haren, die leken grijzer. Misschien kwam het door het nachtlampje.
‘Niemand houdt het vol dag in dag uit te werken.’
Ik gaf hem een zoen op zijn voorhoofd en ving een zweem op van zijn geur. Hij rook vertrouwd, maar er was ook iets anders. Iets muffigs.
‘Normale mensen hebben weekend,’ ging ik door, ‘die gaan erop uit met hun gezin. Of ze nemen hun vrouw mee uit eten.’ Ik twijfelde even, wist dat ik het erger maakte. Toen zei ik het toch: ‘Wanneer heb jij dat voor het laatst gedaan?’
De rimpels in zijn voorhoofd verdiepten zich. Van ergernis, wist ik. Ik zag ineens hoe dof en gegroefd zijn huid was. Hoe oud hij was. Bruusk knipte ik het lampje uit.
‘Laten we gaan slapen. Zonder slaap ben je sowieso nergens.’

Ik had net mijn koffie op toen ze voorreden. Ze waren met zijn tweeën, mannen in overalls en met reusachtige spierballen. Ik kon dus rustig de krant uitlezen. Toen ze de dozen met boeken in het busje hadden geladen gingen ze naar de studeerkamer voor de rest. Niet veel later stak de kleinste van de twee zijn hoofd om de deur.
‘Het is gepiept, mevrouw.’
Ik liep mee naar de oprit. De motor van het busje draaide al. In het laadruim waren de dozen in rijen opgestapeld. Daartussen stond het bureau waaraan hij zijn boeken had geschreven en de leunstoel waarin hij piekerde en wij hem niet mochten storen.
‘Dank u,’ zei de kleinste. ‘U biedt die afdankertjes een tweede leven.’
Ik blies een kushand het schemerige ruim in. In het donker was het natuurlijk niet goed te zien, maar het leek of hij triest glimlachte.
‘Let’s go!’ riep de kleinste tegen zijn collega-spullensjouwer.
Ik zag nog net hoe mijn man zijn hand opstak en zwaaide. Met een doffe klap viel de schuifdeur dicht.

Terug in de woonkamer was het huis fris als een zomerochtend na een regenbui. Alles glansde. Zelfs de kinderen, die toch altijd al behoorlijk sprankelden, straalden als sterren.

Over drie weken borduurt Daan Steinebach verder op Doriens laatste zin.


Deel op of
Dorien Dijkhuis is dichter en schrijver van korte verhalen. Komend jaar studeert ze af aan de Schrijversvakschool Amsterdam.
Reinout Dijkstra is illustrator uit Zwolle. Hij maakt tekeningen, schilderingen, foto's en soms ook nog een klein tekstje. Zijn werk is geaard in zijn eigen ervaringen, hij geniet van dingen als lichtval, kleur en is niet vies van een grapje.
b
a
a