Hard//hoofd

Zomerboek

Merguez

Kort verhaal

Tekst Wiard van der Kooij &
Illustratie Joost Dekkers

I

Toen twee studenten, Willard en Stancy, de islamitische slagerij tegenover de Ap op de Molukkenstraat binnenliepen, konden ze niet bevroeden dat ze op het punt stonden een onlangs ontloken liefdesrelatie ten diepste te ontwrichten. Willard en Stancy waren jongens die sowieso weinig doorhadden. Ze waren maar wat trots dat ze dagelijks ten minste driehonderd gram vlees de man aten en zeiden, wanneer iemand hen op deze gewoonte aansprak, dat het milieu wat hen betreft kon opkankeren, omdat ze laatst nog Method en Ecover in de bonus hadden gekocht.

‘Ik heb kipmerguez!’ zei de slager met de trots van een aimabel vakman. De studenten wisselden blije blikken uit.
Sick! Doe maar zeshonderd gram, alsjeblieft!’ zeiden ze in koor.
En zo geschiedde.

De slager verkocht de lekkerste merguezworst van Amsterdam, een mix van lams- en kalfsvlees. Soms, hoogstens viermaal per jaar, maakte hij ook kipmerguezworstjes. Voor vaste klanten Willard en Stancy was dat een hoogtepunt in hun culinaire bestaan: zodra een van de twee wist dat de slager kipmerguez had, werd de ander op de hoogte gesteld.

Dit relaas draait echter niet om Willard en Stancy, de goedgemutste studenten die met hun witte plastic tasje vol kipmerguezworstjes de slagerij uitliepen. Ik wilde het hebben over één specifieke merguezworst, die ontredderd achterbleef in de slagerij. Voor het gemak noem ik hem nu ‘Merguez’, want worsten dragen doorgaans geen naam. Daarbij is Merguez feitelijk geen hij, en Kipmerguez, het kipmerguezworstje waarop Merguez smoorverliefd is en dat zojuist door Willard en Stancy werd gekocht, is ook geen zij.

Merguezworsten zijn geslachtsloze en genderneutrale wezens.
Ik projecteer dus ook maar mijn mensenblik op de worstenwereld.

II

Merguez lag stokstijf een centimeter of vijf verwijderd van de andere worsten. ‘Hoe kan ik mijzelf van kant maken?’ vroeg hij zijn worstenfamilie met feilloos gevoel voor drama.
‘Ga hangen bij de lamskoteletten, maak ze uit voor varkens!’ opperde de dikste worst laconiek.
‘Kipmerguez is weg,’ snotterde Merguez, als ware het zonneklaar dat de dood nu onvermijdelijk was.
‘Boeiend, verkocht is verkocht,’ zei de dikste worst. ‘Waarom neem je niet een van ons? En als het per se moet versier je toch zo’n ander kipsletje, een kind kan de was doen.’
True that,’ kreunde een minuscuul merguezworstje. Hoongelach rees uit de worstenbak.
‘Kipworsten hebben gewoon een vrijere seksuele moraal, doe niet zo judgemental,’pareerde Merguez, opgejut door zoveel minachting. ‘Plus: Kipmerguez is niet zo zedeloos als de rest. Ze is me dierbaarder dan al het halalvlees van de Indische Buurt.’
‘Zeur dan niet zo over zelfmoord en hol je ho achterna!’ smaalde de dikste worst.

‘Fuck die shit,’ dacht Merguez. Hij trok zich op aan de rand van de worstenbak en klauterde eroverheen. Vervolgens sprong hij op de vaalwitte tegelvloer en sprintte, volledig intact, om de toonbank heen de slagerij uit.

De verzengende zomerhitte omklemde Merguez’ lijf en kneep het samen, maar de dolle worst prakkeseerde er niet over de aftocht te blazen. Hoewel Merguez kinderwagenwieltjes en mensenvoeten behendig ontweek, raakte hij op de Javastraat verstrikt tussen de teenslipper en hiel van een jongedame. Omdat ze net terug was van een lange reis, was ze zich o.a. bewust van het bestaan van uit de kluiten gewassen insecten. Het meisje dacht dat een reuzenmade in het voetbed van haar slipper krioelde. Ze zette het op een gillen en schopte woest met haar been.

Met een boog vloog Merguez door de lucht.
Met een smak daalde hij neer op de straat.
Merguez maakte zich uit de voeten, de Eerste Van Swindenstraat in. Hij kroop afgepeigerd onder een marktkraam en verloor z’n bewustzijn.

III

Een klodder knoflooksaus druppelde in Merguez’ gezicht. Hij ontsloot zijn ogen en schrok zich het apelazarus.
‘Alles oké?’ informeerde het broodje döner dat over Merguez heen gebogen zat en hem zo had laten schrikken.
‘Jezus, ja gaat wel, sorry,’ antwoordde Merguez.
‘Ik ben Grote Lams Met Alles,’ stelde het broodje döner zich voor.
‘Ik zie het,’ zei Merguez. ‘Ik ben Merguez. Is het cool als ik je gewoon Broodje noem? Bekt wat lekkerder.’
‘Mij best, ik weet toch niet wie ik ben. Wil je misschien die vork uit me trekken? Het doet pijn en ik durf het niet.’ Broodje wees op het plastic vorkje dat midden in zijn döner prikte.

Broodje vertelde dat zijn roots lagen in de dönerkraam aan het begin van de Dappermarkt. Hij was gekocht door een beschonken toerist, die net bij de populaire brouwerij met de molen aan de overkant vandaan kwam en dacht dat hij twee döners op kon. Het tegendeel bleek waar, Broodje koos eieren voor zijn geld en ging ervandoor. Broodjes döner worden gemaakt op bestelling, ze loungen dus niet ellenlang met zijn allen in een bak en ontwikkelen geen cultuur, zoals merguezworsten. Ook bestaan ze, in tegenstelling tot een worstje, niet uit een homogene massa. Als gevolg van dit alles hebben broodjes döner meestal geen flauw benul wie ze zijn.

Rond 17.00 werd de Dappermarkt afgebroken en verlieten Merguez en Broodje hun schuilplaats.
De kersverse vrienden begaven zich richting de Mauritskade, zodat Broodje kon kijken of er niet een andere döner was die hem kon helpen met zijn zoektocht naar zichzelf.

Voor de reisgenoten er erg in hadden, kwamen een stuk of twintig meeuwen schijtend en krijsend vanuit de Singelgracht aanvliegen. Merguez en Broodje konden geen kant op.
‘Aha,’ zei de lelijkste meeuw rochelend, ‘wat doen een merguezworst en een grote lams met alles in deze hun zo vijandig gezinde buitenlucht?’
‘Ik zoek mijn vriendin,’ antwoordde Merguez, die de bui zag hangen, sip.
‘Ik zoek mezelf, flapdrol,’ blaaskaakte Broodje.

De meeuw fronste, zei vals ‘sta me toe je een handje te helpen’ en marcheerde zo stoer als hij kon op Broodje af. Het beest stak zijn scherpe snavel in het arme broodje döner en rukte een flink stuk vlees uit zijn binnenste. Merguez, die het plan vatte de vijand te wurgen, sprong roekeloos op de meeuwennek. Maar een worstje is geen anaconda: het beest schudde Merguez achteloos van zich af en nam hem in zijn snavel. ‘Het ziet ernaar uit dat we flink kunnen schransen, heren,’ schetterde het meeuwenopperhoofd. Net voor Merguez door de meeuw aan flarden zou worden gescheurd, klonk er luid gekwaak.

Een vrouwtjeseend dook als een Spitfire op de meeuwenhals, en scheidde die met een ongelofelijke kracht van de romp. Meeuwenbloed gutste over de Dapperstraat, de rest van het tuig koos het hazenpad.

‘Later!’ schreeuwde Eend de vluchtende meeuwen na. Ze keek bezorgd naar Merguez en Broodje.
‘Zijn jullie in orde?’
Broodje was vol ongeloof. ‘Waar heb je die kalifaatshit geleerd?’
‘Het leven van een vrouwtjeseend in de grote stad is niet gemakkelijk. Laat ik zeggen dat je voor jezelf moet opkomen,’ zei Eend droevig, duidelijk makend dat ze er niet over wilde uitweiden.
‘Wil je ons misschien naar de Indische Buurt brengen?’ vroeg Merguez, ‘ik mis Kipmerguez.’
Broodje trok Merguez naar zich toe. ‘Hoe weet je dat zij ons niet opvreet?’ fluisterde hij.

Gelukkig was van gevaar geen sprake, want Eend was vegan.
Merguez en Broodje klommen op Eend en ze stegen op, hoog boven de Dapperbuurt.
Door barbecuerook en het gegil van vlees op de grill vlogen ze over Amsterdam Oost.

Eend was pienterder en minder wereldvreemd dan Merguez en Broodje. Ze vroeg Merguez waar hij dacht dat Kipmerguez was – een vraag die hij zichzelf na zijn vlucht nog niet had gesteld. Merguez herinnerde zich dat Kipmerguez was verkocht aan twee simpele studenten en gaf een profielschets.
‘Willard en Stancy! Die twee asociale studenten die wonen bij het Ambonplein!’ riep Eend, die de jongens vaak kibbeling, friet en döner had zien kopen.

IV

‘Wat een kankerzooi!’ zei Willard tegen Stancy toen ze de volgende ochtend in hun keuken kwamen. De koelkastdeur stond wagenwijd open en de vloer lag vol eendenpoep.
‘Kanker op...,’ mompelde Stancy terwijl hij de koelkast inspecteerde, ‘we missen één kipmerguez!’
‘En we hebben er een broodje döner bijgekregen,’ zei Willard nadat ook hij zijn hoofd in de koelkast had gestoken.
Sick.’ Stancy schudde zijn hoofd.
‘Heel sick,’ zei Willard.

V
Aan een vijver in het Flevopark lagen twee worsten in de zomerzon.
‘Merguez?
Merguez?
Merguez, we rotten weg,’ zei Kipmerguez.

Dit verhaal is ook te lezen in het Hard//hoofd Zomerboek, waar nog veel meer lees-, puzzel- en kijkvoer te vinden is.


Deel op of
Wiard van der Kooij dankt je voor het lezen. // wiard@hardhoofd.com
Joost Dekkers
b
a
a