Hard//hoofd

Zomerboek

Kaddisj

Kort verhaal

Tekst Jens Meijen &
Illustratie Lune van der Meulen

Elf uur ’s avonds. Het is exact zestien uur geleden. Marie zit rechtop in bed, legt haar hoofd in haar nek en doet druppels in haar neus. Ze slikt en lijkt daardoor op een reiger die een vis wil opslokken.
- ‘Het komt goed,’ zegt Marie. Ze snuift de neusdruppels dieper op.
Ik ga op het bed zitten.
- ‘Het komt goed, geloof me.'
Ik knik.
- ‘Het heeft tijd nodig.'

Het is exact zestien uur geleden. Zestien uur geleden was het ochtend en floten de vogels en werd mijn vader wakker. Hij wist niet meer wat vogels waren, wie hij zelf was en wat het voorbijgaan van de tijd precies betekende. Herfst, woensdag, ochtend. Hij wist ook niet meer wat het voorbijgaan van de dingen precies betekende. We kunnen dus, volgens de arts, niet zeggen dat hij helemaal bij bewustzijn was.

Zestien uur geleden droop er speeksel uit zijn mondhoeken en stroomden zijn longen vol met vloeistof, met als gevolg een reutelende adem. Moeder werd niet wakker. Zestien uur geleden stopte zijn hart met kloppen, met als gevolg een uitblijven van adem. Daarna liepen zijn longen leeg en ging zijn borstkas niet meer omhoog. De kou trok van zijn vingers en tenen naar het midden van zijn lichaam. De arts had het tot in detail beschreven. Hij had een mooi gouden horloge aan en ik wilde hem nog vragen waar hij het gekocht had, maar hij werd alweer opgeroepen.

Vijftien uur geleden stond mijn moeder op, liet vader slapen en zette koffie.

Veertien en een half uur geleden ging ze weer de slaapkamer in en zei ze dat hij maar eens moest opstaan. Moeder rolde hem op zijn rug – mijn vader sliep altijd op zijn zij – en gilde niet. Ze jammerde even, drukte haar voorhoofd tegen het zijne, huilde zacht. Vanmiddag zei ze:
- ‘Stel je voor.’
- ‘Moeder-'
- ‘Nee, stel je voor: een menselijk lichaam waar je meer dan een halve eeuw tegenaan hebt gelegen. Een lichaam met twee oksels, twee liesplooien, een mond en een bilspleet waaruit schijnbaar oneindige warmte opstijgt. Stel je dan voor: plots is dat lichaam koud. Plots kan je dat lichaam niet meer onderscheiden van de lakens op het bed. Zelfs niet van een krop sla of tomaten uit blik. Stel je voor: een lichaam dat object geworden is.’
- ‘Alsjeblieft,’ fluisterde ik.
- ‘Je kan je het niet voorstellen. Nog niet,’ fluisterde ze terug.

Ik zit op de rand van het bed. Marie snuit haar neus en kruipt daarna over het bed om me van achteren te omhelzen. Ze drukt haar hoofd tegen me aan en ik voel de natte warmte van tranen in mijn nek.
- ‘We moeten slapen,’ zeg ik. Ik stel mijn alarm in op negen uur ’s ochtends. Er moet heel wat geregeld worden. Dat het deze keer mijn vader is die de grond in moet, maakt geen verschil.

Marie en ik zijn reigers. We vliegen samen over grote meren en tuinen met zwembaden. Het is avond en de lucht is roze. De tijd staat stil. Soms landen we aan de randen van de meren, waar we onze veren wassen en vette, nog levende vissen opslokken. We snateren, vleien ons tegen elkaar aan, geven elkaar voorzichtige kussen met onze snavels. We hebben de kleuren van begrafenisondernemers in kostuum.

Het is exact zesentwintig uur geleden. Marie stapt uit bed en gaat de douche in. Ze heeft vader gisteren al gewassen en gebalsemd – eigenlijk is dat volgens de joodse wet verboden, maar moeder stond erop dat het gebeurde. Meestal maakt Marie grapjes over de vreemde lichaamsvormen van de dode, maar deze keer was ze stil. Het balsemen is prettig omdat we daar niet bij moeten nadenken, zoals we dat wel moeten doen wanneer we met de familieleden praten. Altijd een strak gezicht houden, altijd met gedempte stem spreken, altijd trage armbewegingen maken. Zo denken de klanten dat we magiërs zijn, en dat biedt troost. Eerlijkheid troost niet.

Ik ga de badkamer in, waar het erg vochtig en warm is, en kijk naar Marie in de douche. Ze heeft het douchegordijn met de zeepaardjes erop open gelaten. Haar haren zijn lange zwarte slierten die ze met haar vingers uitkamt en ik denk steeds maar weer: ‘Een lichaam zonder leven is een object.’ Ik plas in de wc, kleed me aan en ga naar de keuken om koffie te zetten. Terwijl de koffie doorloopt, kijk ik door het grote raam de tuin in. Er is veel wind. De struiken rillen. De naaldbomen wiegen met eerbied zoals alleen naaldbomen dat kunnen. Ze doen dat enkel wanneer ze in kleine groepjes staan en wanneer de wind niet te fel is – in de buurt van begraafplaatsen plant men zelden naaldbomen, omdat de naalden moeilijk op te ruimen zijn. Ik zet op tafel: confituur van kersen, een pot yoghurt, perenstroop, chocopasta, hagelslag, boter, kaas, ham, borden, kommen en bestek, totdat er niets meer op de tafel past. Er is geen brood en naar de bakker gaan we vandaag niet, dus we eten enkel beleg. Ik schep kersenconfituur en yoghurt in een kom en zet de radio aan. Terwijl ik mijn horloge zoals elke ochtend gelijkstel met de tijd op het schermpje van de radio, zingt een man:
Day after day it reappears
Night after night my heartbeat shows the fear
Ghosts appear and fade away

Marie komt binnen met haar haren in een handdoek gewikkeld. Ze kijkt naar mijn kom en haalt haar neus op.
- ‘Dat ziet er echt walgelijk uit.’ Ze pakt melk uit de koelkast en daarna een doos cornflakes.
- ‘We hebben heel wat te regelen vandaag,’ zeg ik.
Marie neemt een hap van haar cornflakes en zoemt instemmend. De man op de radio zingt nog steeds:
At least there's pretty lights
And though there's little variation
It nullifies the night
From overkill

We eten. De presentator zegt dat het liedje Overkill van Men At Work was.
- ‘Altijd goed gevonden, Men At Work,’ glimlacht Marie.
- ‘Ik vind dat geen liedje om ’s ochtends te spelen. Muziek moet dan blij zijn.’
- ‘Blij of niet – het is maar wat je ervan maakt.’
Ik haal mijn schouders op.
- ‘Maar ik geef toe,’ gaat ze verder, ‘dat het meer een nachtlied is. Wanneer je van ergens heel hoog – vanuit een wolkenkrabber bijvoorbeeld – kijkt naar de vele voorbijstromende lichtjes van auto’s en rijen straatlampen. Dat geeft je een gevoel dat moeilijk in woorden te beschrijven is. Muziek werkt op zulke momenten veel beter.’
- ‘Misschien heb je gelijk.’
Reigers bouwen hun nesten altijd zo hoog mogelijk.

Ik kijk op de klok. Het is exact zevenentwintig uur geleden. De vogels die vader hoorde in zijn laatste momenten floten Overkill van Men At Work. Het deel met de saxofoon. Daar ben ik zeker van.

We hebben vandaag veel formaliteiten af te handelen. Het hele proces na een overlijden, van het sterven tot het ophalen van het lijk, van het verzorgen in het uitvaartcentrum tot het neerlaten van de kist, dat is een aaneenschakeling van formaliteiten, en zo hoort het ook. Bij de familieleden begint het echte werk pas: zij zoeken een manier om de dode te herdenken. Liefst in weinig woorden, zodat het weinig plaats inneemt in de hoofden van de mensen. Herdenk hem als plichtbewuste ambtenaar. Als passionele minnaar. Als rechtdoorzeeë zakenman. Als flierefluiter op sokken. Als kluizenaar met gouden hart. En ze waren allemaal zo eerlijk, gelukkig, altijd goedgeluimd – elk lijk moet samengevat worden. Dat maakt het makkelijker voor de kennissen om zich de dode te herinneren, en voor de familieleden om alles te vergeten. Zodra er voldoende herinneringen bovenop geplaatst zijn, als koude lakens, kunnen ze het allemaal wat loslaten. Ook dat biedt troost.

Ik vraag me af hoe dat proces in zijn werk gaat.

We brengen documenten naar mijn moeder. Ik kijk op mijn horloge wanneer we bij haar huis aankomen. Het is exact achtentwintig uur geleden.
- ‘Stel je voor,’ fluistert moeder. ‘Stel je voor, een lichaam dat object geworden is.’ Ze ligt op de sofa, met de handen gevouwen op haar buik. Tante Irina is er ook.
- ‘Je moet deze papieren ondertekenen, moeder.’
Ze kijkt me niet aan. ‘Stel je voor.’
- ‘Moeder, alsjeblief.’
- ‘Een subject zonder warmte is een object.’
- ‘Dat klopt niet, moeder.’ Ik help haar rechtop, stop een pen in haar hand en wijs haar aan waar ze moet tekenen. Ze doet niets, dus neem ik haar hand vast en zet ik zo de pen op het papier. Haar hand is koud en geaderd.

Marie en ik wandelen in de tuin. Er staat een gure wind en Marie draagt zwarte wanten waarmee ze een eend imiteert. Ze kwaakt en bijt in mijn neus met haar denkbeeldige snavel. Ook hier zwaaien de naaldbomen, geplant in kleine groepjes, eerbiedig heen en weer. Ook hier rillen de struiken en ook hier vliegen vogels, maar enkel hier fluiten de vogels het deuntje van Overkill. De tuin is geen haar veranderd. Klimop aan de bomen achteraan, donkerpaarse braamstruiken eronder en brandnetels daartussen. Nog even verwilderd als altijd – mijn vader wilde zich nooit bukken, omdat hij bang was om bloedvaten te scheuren. Zo waren er nog wel enkele dingen. Bijvoorbeeld, toen hij hoorde dat rood vlees ongezond was, werd hij vegetariër voor een jaar.

Kaddisj

Marie en ik gaan achteraan in de tuin op een bankje zitten, achter de bomen en naast de vijver, waar moeder en tante Irina ons niet kunnen zien. In de vijver zwemmen dikke, lichtblauwe vissen die voortdurend happen met hun grote mond.

Toen de ziekte van Lyme rondging in onze buurt, vouwde hij de onderkant van zijn broekspijpen in zijn sokken met een of andere Japanse vouwtechniek die hij op het nieuws had gezien, en hij stond erop dat iedereen van de familie hetzelfde deed.

- ‘Mooie vissen,’ zegt Marie. Ik weet zeker dat ze op hen af wil vliegen, hen omhoog wil werpen, hen levend wil opslokken met haar mond naar boven gericht.
- ‘Die met de zwarte streep heet Adonai. De grootste, daar in het midden, heet Saladin.’
- ‘En de andere vissen?’
- ‘Zij hebben geen naam.’

Toen mijn vader hoorde dat vezels je langer laten leven, mengde hij vezelpoeder door elke maaltijd – zelfs in de maaltijden van iedereen om hem heen. Uiteindelijk moest ik zelfs naar het ziekenhuis gaan door al die vezels.

De wind doet het water van de vijver rimpelen. De vissen lijken er niets van te merken.
Ik zeg: ‘Weet je wat vreemd zou zijn?’
- ‘Vertel,’ zegt Marie terwijl ze naar de vijver kijkt.
- ‘Als vissen zouden zingen zoals vogels.’
- ‘Ja, dat zou inderdaad vreemd zijn,’ knikt ze. ‘Wat voor geluid zouden ze dan maken?’
- ‘Vast iets langgerekts, iets dat galmt. Zoiets als kleine walvissen misschien.’
We kijken naar de vissen en stellen ons voor hoe het zou klinken als zij Overkill van Men At Work zouden zingen. Ik kijk op mijn horloge. Het is exact achtentwintig en een half uur geleden.

Toen ik klein was en nog naar de synagoge ging, had je de rouwkaddisj – een joods herdenkingsgebed – dat aan het einde van elke dienst plaatsvond. In onze synagoge gingen enkel degenen in rouw rechtop staan. Tijdens de rouwkaddisj hield mijn vader zijn hand op mijn knie om ervoor te zorgen dat ik niet rechtop ging staan, en naarmate het gebed vorderde, kneep hij harder en harder. Hij drukte mijn knie zo hard naar beneden dat ik bang werd en wilde schreeuwen dat het gebed moest ophouden.

Marie staat op.
- ‘Gaan we? Het is me wat te koud.’
- ‘Ga maar. Ik kom zo.’ Ze wandelt weg. ‘Wacht eens,’ roep ik. Ze stopt en draait zich om.
- ‘Wat heb je met zijn haar gedaan?’ vraag ik.
- ‘Een kleine hoeveelheid pommade erin.’
- ‘Die met…?’
- ‘Appelgeur. Ja,’ knikt Marie.
- ‘En zijn schoenen?’
- ‘Naast de kist,’ zegt ze. ‘Bij het neerlaten zullen ze bovenop de kist staan.’ Marie gaat het huis binnen.

Toen grootvader overleden was, zei mijn vader: ‘De joodse wet schrijft voor dat een persoon in rouw zijn schoenen uitdoet. Iemand die over het parket glijdt, het mos tussen de stenen van de oprit voelt en koude tenen krijgt, dat is een rouwer.’ Hij was joods. Ik ben slechts tot mijn twaalfde gelovig geweest, maar dat heeft hij nooit geweten. Moeder wist het wel. Vader ging verder: ‘Een rouwer is wel het laatste wat ik wil zijn. Vanaf nu draag ik mijn schoenen altijd, binnen en buiten, ’s ochtends en ’s avonds. ’s Nachts, in bed, zal ik pantoffels dragen.’

De vissen zijn onrustig. Adonai en Saladin happen aan de oppervlakte van het water, zwemmen rondjes in de vijver en botsen tegen elkaar aan. Hun lichamen zijn volgens mij erg koud. Ik denk niet dat ze weten wat tijd betekent – er bestaat geen dag of nacht voor hen, en geen lente of herfst. Enkel licht en donker. Koud water, warm water. Blauwe vriendenvissen, witte vijandvogels. Ze zijn koud en tijdloos. Daar ben ik zeker van.

De begrafenis verloopt vlot: men bedankt vader voor bewezen diensten, men verontschuldigt zich voor gemiste kansen, men lacht om gemaakte grappen en weent om mooie, onherroepelijk verdwenen momenten. Zijn schoenen staan bovenop de kist. De ingehuurde rabbi zegt dat we rechtop moeten gaan staan en hij prevelt het Hebreeuwse gebed. De rouwkaddisj. Daarna gaan we naar buiten, waar de zon schijnt maar de wind nog steeds koud is. Zo laten ze de kist in de aarde zakken. Moeder glimlacht om de schoenen bovenop de kist, maar verbergt daarna haar gezicht in een witte zakdoek. Ze zeggen dat je hersenen allerlei stoffen laten vrijkomen wanneer je sterft – dat doen ze om alles vreedzaam en zonder angst te laten verlopen. Ze laten die stoffen ook vrijkomen bij de rouwers tijdens een begrafenis, zodat het lijkt alsof met het opvullen van de aarde op de kist ook het gemis opgevuld kan worden.

Marie en ik zijn weer reigers. We staan boven op de kist en snateren samen Overkill. De tijd staat stil. We kijken de gasten een voor een aan en willen hen allemaal opslokken. We hebben nog steeds de kleuren van begrafenisondernemers in kostuum.

Niemand weet dat vader nu pantoffels draagt. De rabbi zegt nog wat gebeden, waarna de gasten afscheid nemen van elkaar.

Marie draait zich naar me om. Haar nek is lang en wit.
- ‘Zo. Gaat het?’
- ‘Tuurlijk.’
Reigers bouwen hun nesten altijd zo hoog mogelijk.


Deel op of
Jens Meijen is Masterstudent Westerse Literatuur aan de KU Leuven, webredacteur en recensent voor het Vlaamse weekblad Humo, de Vlaamse Jonge Dichter des Vaderlands en meer.
Lune van der Meulen is illustrator, schilder en schrijver. In haar werk staat de mens en zijn onvermogen vaak centraal. Ze weet eigenlijk nog niet precies wat ze wil, dus doet ze maar zoveel mogelijk van alles.
b
a
a