Hard//hoofd

Zomerboek

Veertig dagen geen koptelefoon

De Goede Week

Tekst Jozien Wijkhuijs &
Illustratie Valerie Geelen

Veertig dagen geen koptelefoon luisteren: Jozien ging de uitdaging aan voor Hardhoofd stopt. Een stopverhaal in drie terugvallen.


‘Niets mag gecensureerd worden. Deze tijd is bedoeld voor bezinning en het kijken naar onszelf.’ De pastoor kijkt gewichtig de zaal in, ik voel me een beetje ongemakkelijk. Voor het eerst in jaren zit ik weer in een kerk. Althans, niet echt een kerk, maar het Zwijssengebouw op de campus van Tilburg University. Ook al ben ik een protestants opgevoede, niet-praktiserende en regelmatig zondigende indringer van de bijeenkomst, áls ik dan mee ga doen met de veertigdagentijd, wil ik het ook goed doen. Plus: ik houd van koormuziek.
'Zelfs als ik vijf minuten moet wandelen naar de winkel, zet ik normaal gesproken muziek of een podcast aan.'

Koormuziek die ik de komende tijd niet via mijn koptelefoon ga beluisteren in de trein, vermaan ik mezelf vanaf de kerkbank. Ook niet op de fiets, of tijdens een wandeling naar de supermarkt. Ik ga de band met mijn omgeving versterken, praatjes maken in de trein, niets censureren, veel bezinnen en kijken naar mezelf. Zelfs als ik vijf minuten moet wandelen naar de winkel, zet ik normaal gesproken muziek of een podcast aan. God is het daar niet mee eens, hoor ik tussen de regels van de preek door. Ik loop weg voor de realiteit en de veertig dagen voor Pasen gaan juist om realisme. En dan vooral om die ene, ongemakkelijke waarheid: stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

Die zin spreekt de pastoor precies dertig keer uit (ik tel mee) als de mensen, het hoofd nederig gebogen, een voor een langs hem lopen. Met een natte vinger van het as-watermengsel tekent hij een kruisje op mijn voorhoofd als ik aan de beurt ben. Ik maak er een selfie van als ik denk dat niemand kijkt. Iemand kijkt. Opgewekt nederig ga ik weer zitten.

Het is nu veertig dagen en drie terugvallen later.

Terugval 1 – trein, vrijdagmorgen, iets voor negenen

‘Leuk hè, dit.’
‘Ja, heel leuk. Ik vind het ook zo leuk dat jullie met mij meereizen. Toch weer even wat anders, hè?’
‘Ja, echt heel leuk.’

Om mij heen zitten drie mensen. Artsen, om precies te zijn, dat zeggen ze zelf een aantal keer hardop. ‘Wij als artsen…,’ zeggen ze. Zij als artsen zijn onderweg naar een congres, of een cursusdag, of een lezing. Iets dat ze leuk vinden in ieder geval. Weet je wat ze ook leuk vinden? Hun team:

‘Het zijn toch leuke mensen die er nu werken hè?’
‘Ja, heel leuk. Echt heel leuk.’
‘Er zijn er wel vier zwanger.’
‘Dat is toch leuk?’
‘Ja, daar heb je eigenlijk wel gelijk in.’

Ze kijken naar mij en lachen. ‘Sorry hoor, haha! Bij Den Bosch ben je weer van ons af.’ Ik grijns. De afgelopen week heb ik een aantal fijne gesprekken gevoerd in de trein, puur en alleen omdat ik geen podcast of muziek had om in weg te duiken. Driftig schreef ik mee met de rare dingen die mensen zeggen en ik sprak mezelf bestraffend toe dat ik deze goudmijn aan hersenspinsels tot nu toe finaal links had laten liggen. Vandaag omklemt mijn rechtervuist echter mijn telefoon in mijn zak. Ik heb mijn koptelefoon bij me, omdat ik hem op mijn werk soms nodig heb. Ik geef me nog niet gewonnen en kijk uit het raam. Ik zie een koe.

‘Gelukkig ben ik niet ook nog zwanger!’

Ik probeer me te focussen op de onderliggende gevoelens bij die opmerking. Misschien is ze echt blij dat ze niet zwanger is, dat kan natuurlijk. De keren dat ik dit zei, meende ik het ook wel echt. Dus wie ben ik om te beslissen dat dit eigenlijk een manier is om te verhullen dat ze dolgraag een kindje wil, maar dat Mark/Robert/Erik-Jan er nog niet klaar voor is? Precies, wie ben ik?

‘Zou toch leuk zijn!’
‘Ja, zou ook wel leuk zijn.’
‘Dan konden jullie leuk samen zwanger zijn.’
‘Ja. Leuk.’

De man naast me schrikt van mijn bruuske beweging. Ik verontschuldig me, lach geruststellend en zet Unstoppable van Sia aan. Opgelucht haal ik adem.

Terugval 2 – straat, donderdagmiddag, 17.30

Ik heb een liedje in mijn hoofd, omdat ik warme handen heb. Toen ik aan mijn handen dacht, zong ik in mijn hoofd ‘you make my fingers turn 3000 degrees’ en sindsdien hoor ik steeds opnieuw Love like semtex van The Infadels, alsof mijn wereld een reclame voor 3FM is en ik Eddy Zoey (dit zeg ik uiteraard niet zomaar).
'Zeker als ik de avond ervoor te veel gedronken heb, is het aantal liedjes in mijn hoofd astronomisch hoog.'

Het gebeurt steeds. Ik dacht eigenlijk dat mijn omgeving het grootste probleem zou zijn bij het niet gebruiken van een koptelefoon. Niets blijkt minder waar, mijn hoofd is gevaarlijker dan een volle treincoupé. Zeker als ik de avond ervoor te veel gedronken heb, is het aantal liedjes in mijn hoofd astronomisch hoog. Het liefst draait de jukebox die op mijn schouders is geschroefd drie liedjes tegelijk, in verschillende tempo’s en op willekeurige momenten. En er is niets aan te doen. Soms helpt het om even aan The final countdown te denken, maar ja, dan zit je daar maar weer mooi mee.

Vaak is er wel iets dat het triggert, soms ook niet. De vijf uur Can’t stop loving you tijdens een bezoekje aan de sauna waren bijvoorbeeld volledig zinloos geweld. Super trouper van ABBA is een sluipmoordenaar die toeslaat als ergens het woord ‘Glasgow’ valt. Nik Kershaws meesterwerk Wouldn’t it be good is de schuld van mijn beste vriendin, die vanwege prettige associaties met dit lied heeft besloten dat het goede muziek is. Over The tide is high wil ik het niet hebben.

Waarom ik soms My own worst enemy van Lit voor me uit neurie mag geen vraag zijn. Ik houd me sterk, maar als ik op de bus sta te wachten en voor de zestiende keer begin met ‘I got it bad, you don’t know how bad I got it’ is het genoeg. Mijn kreun van verlichting als ik de eerste tonen van Hey van The Pixies hoor, doet een oudere dame verschrikt en enigszins gegeneerd opkijken.

Terugval 3, bijna – trein, woensdagavond, 21.30

De jongen draait hard muziek op zijn telefoon en niemand durft er iets van te zeggen, ik ook niet. Ik lees mijn boek en negeer het, maar mijn eigen passiviteit knaagt aan me. Toch wil ik dit niet mijn derde terugval laten zijn, ik ben er namelijk bijna. Twee is acceptabel, triviaal, drie is te veel. Mijn hele leven tel ik al in drie- of vijftallen. Als ik drie keer vals speel is het voor mij echt en is dit een gefaald experiment. Dus ik focus me op mijn boek, maar het kan me niet afleiden van de stem van Beyoncé. De jongen draait steeds Drunk in love en Crazy in love. Iets dat ik niet vind passen bij zijn houding, hij vertoont namelijk extreem hanengedrag door zich af en toe opzichtig in zijn kruis te krabben en tussen liedjes door gesprekken te voeren over drugs en meisjes.

Er gaat een dame tegenover me zitten. Ik ben inmiddels al goed onderweg met terugvallen, ik wil heel zacht iets draaien op mijn telefoon en doen alsof ik bel. Mijn vinger hangt al boven ‘play’. Dat is geen valsspelen, verzeker ik mezelf. Ineens vraagt de dame mij iets. Ik kijk op en vraag haar de vraag te herhalen. ‘Deze trein rijdt maar tot Arnhem, heb je enig idee hoe ik in Zutphen kom?’ Ik help haar door het op mijn telefoon op te zoeken. Ze vraagt of ze me iets vreemds mag zeggen en ik knik.
‘Je hebt een mooi accent, waar kom je vandaan?’
Ik zeg: ‘Dankjewel. Zeeland.’
‘Oh, ik dacht iets in het Oosten.’ Tevreden staart ze uit het raam, compleet onvatbaar voor het lawaai van de jongen, die zich duidelijk aan haar onverschilligheid ergert.

Ik stop mijn telefoon terug in mijn zak en pak mijn boek weer op. De jongen stapt uit in Oss.


Deel op of
Jozien Wijkhuijs ('89) is in willekeurige volgorde: geen liefhebber van kaas, freelance journalist, Zeeuws, inwoner van Nijmegen, schrijver en permanent in de war.
Valerie Geelen is een redactionele illustrator en grafische vormgever. Ze maakt haar werk om mensen uit te dagen kritisch en met humor naar zichzelf en de wereld te kijken.
b
a
a