Hard//hoofd

Zomerboek

Borrelangst

Column

Tekst Kasper van Royen

Wanneer ik de crèche binnenloop met twee zakken wokkels in mijn hand, voelt alles nog betrekkelijk veilig. Blijkbaar ben ik niet de enige vader die op deze manier invulling heeft gegeven aan het verzoek om wat te eten mee te nemen. Ieder aan een kant van een grote bak legen de papa van Rory en ik onze zakken. Het voelt een beetje als door elkaars straal heen plassen. Een moeder zet een schaal zelfgerolde sushi op tafel, tussen de poffertjes, worstenbroodjes, blikjes bier, kannen limonade en dingetjes met prikkertjes.
‘‘Wat gaan we doen?’’ vroeg Annika, toen ik haar in de andere ruimte op kwam halen. Ze was net verdiept in een puzzel, en ik was vroeger dan normaal.
‘‘We gaan borrelen.’’
‘‘Wat is dat dan?’’
‘‘Ja, dat heb ik ook nooit helemaal begrepen.’’

Er zijn nog geen kinderen van haar eigen groep in de ruimte. Annika gaat op een stoeltje zitten.
‘‘Ik wil een chip en als ik die opheb wil ik nog meer chip en dan nog meer,’’ commandeert ze dromerig.
Ik pak een prikkertje met dingetjes van de schaal.
‘‘Kijk eens,’’ zeg ik, ‘‘daar zit paprika op, dat vind jij toch lekker.’’
‘‘Nee, dat vind ik heel, heel erg stom.’’
Snel leg ik het ding terug op de schaal, voordat de kokkin in kwestie deze opmerkingen mee zal krijgen. Ik geef Annika een handje wokkels, schenk een beker limonade in en trek een blikje bier open. Dan kijk ik om me heen, naar mijn mede-ouders. Ze staan allemaal druk met elkaar te praten. Ik ken sommigen van gezicht, maar weet niet waar ik het met ze over zou moeten hebben. Dan richt ik me maar weer op mijn dochter.
‘‘Een leuke dag gehad vandaag?’’
‘‘Ik heb poep getekend.’’
‘‘Oh, okay. Ik heb m’n btw-aangifte gedaan.’’
Ik trek nog een blikje bier open.

Alles zou dit jaar anders zijn. Januari is mijn minst favoriete maand van het jaar en daar zijn de nieuwjaarsborrels de schuld van. Als zelfstandige met uiteenlopende opdrachtgevers, moet ik altijd een hoop van die recepties aflopen. ‘‘Gewoon even je gezicht laten zien, dat is alles wat je hoeft te doen,’’ spreek ik mezelf elke keer weer moed in. ‘‘In het slechtste geval wordt je aanwezigheid opgemerkt en weet men dat je je betrokken voelt bij deze organisatie, in het beste geval raak je in gesprek met een Belangrijk Iemand en steek je die aan met je onverbeterlijke humor en de paar goede ideeën die je toch altijd wel op zak hebt.’’ Voor het gemak vergeet ik dan maar even dat áls ik zo iemand durf aan te spreken, daar zoveel alcohol en bitterballen aan vooraf zijn gegaan, dat ik met verbrand gehemelte totaal onsamenhangende klanken uitstoot, waar die ander enkele minuten bij staat te knikken, tot hij of zij opeens iemand opmerkt die heel dringend moet worden aangeklampt over het een of ander. Maar in de meeste gevallen praat ik met helemaal niemand. Ik sta urenlang bij de tafel met hapjes en drankjes en doe alsof ik luister naar de mensen die in mijn buurt staan te praten. Ik lach als de andere mensen lachen, maar nooit te hard. Het is een tergende verlegenheid die mij in zulke situaties overvalt, alsof ik weer op het schoolplein sta en in mijn pogingen om niet op te vallen steeds pijnlijker bewust raak van mijn eigen opvallendheid.

Zodra ik zo’n borrel verlaten heb snak ik naar oprechte gezelligheid. Ik bel wat mensen bij wie ik onmogelijk verlegen kan zijn en die niets anders van mij verwachten dan enige mate van onsamenhangendheid. Ze horen direct aan mijn stem hoe laat het is. ‘‘Borrel achter de rug? Doe jezelf dat nou niet aan, jongen. Dat is toch gewoon niks voor jou.’’ Ze hebben gelijk. Het zou voor iedereen beter zijn als ik nooit meer een nieuwjaarsreceptie zou bezoeken, maar toch tuin ik er elk jaar opnieuw in. Een borrel is net als een bevalling; er blijft wel een vage herinnering aan pijn bestaan, maar je denkt vooral ‘‘zo erg kan het nou toch ook weer niet geweest zijn’’. Zonder de gave of vloek van het vergeten zou de menselijke soort zich niet langer voortplanten en werden borrels uitsluitend door de doorgewinterde borrelaars bezocht.


Illustratie: Gino Bud Hoiting



Dit jaar moest de cirkel doorbroken worden. De mentale notities die ik twaalf maanden geleden zo vastberaden had gemaakt, schreeuwden mij toe dat ik het ongemak, de frustraties en de eenzaamheid nooit meer zou mogen bagatelliseren. Ik beantwoordde alle uitnodigingen met de mededeling dat deze gelegenheid spijtig genoeg samenviel met iets anders belangrijks. Het zou een rustige januarimaand worden, een gelukkige januarimaand. Maar natuurlijk maakte ik een uitzondering voor de nieuwjaarsborrel van Het Kolderbos. Immers, wat kon er zo moeilijk zijn aan een beetje zuipen met mijn dochter aan mijn zijde? Ik had er niet over nagedacht dat een borrel een borrel is en dat bovendien borrelangst erfelijk overdraagbaar kan zijn.

‘‘Optillen, papa, optillen,’’ smeekt Annika. Normaal is zij de extraversie zelve, maar nu wil ze haar gezicht in mij begraven. Ik moet vechten tegen de neiging om aan haar verzoek toe te geven, maar eigenlijk komt haar ongemak nu wel verdomd goed uit. Het zorgt ervoor dat ik mij wel volledig met haar bezig moet houden.
‘‘Ga nou met de kindjes spelen, het zijn toch je vriendjes?’’ zeg ik en ik wijs naar de peuters die langs de benen van de kletsende ouders en begeleiders achter elkaar aanrennen. Ik maak gebaren met mijn hoofd naar de mensen om mij heen, gebaren die moeten zeggen ‘‘kinderen, je hebt je handen er vol aan.’’
‘‘Ik wil niet spelen, ik vind bollel stom,’’ zegt Annika en ze probeert langs mijn benen naar boven te klauteren. Als ik het nu een beetje slim speel, barst ze zo echt in huilen uit en dan hebben we tenminste een excuus om naar huis te gaan.
Ik verhef mijn stem en zeg: ‘‘Annika, spelen, nu.’’
Het tegenovergestelde effect wordt bereikt. Vastberaden stormt Annika op de andere kinderen af en gaat spelen, alsof haar leven ervan afhangt.

Ik loop naar de tafel, pak een blikje bier en bestudeer de kindertekeningen aan de muur, alsof er wel wat van waarde tussen zou kunnen zitten. Dan ga ik bij de vader van Rory staan, met hem heb ik toch immers een band, hij is mijn wokkelkompaan. Hij en de moeder van Bloem lijken elkaar goed te kennen. Als ik word opmerkt, stokt het gesprek.
‘‘Poffertjes met sushi, zou dat nou een heel gekke combinatie zijn?’’ zeg ik en ik steek van beide producten een exemplaar in mijn mond.
‘‘We hebben het er nog een andere keer over,’’ snikt de moeder van Bloem. ‘‘Er is voorlopig toch niets dat de dokters kunnen doen.’’
Ik kijk op mijn telefoon en zeg met volle mond: ‘‘Is het alweer zo laat? Mijn vrouw zit vast al met het eten te wachten.’’ Ik sla mijn bier achterover en loop naar de spelende kinderen.

Annika lijkt in haar element te zijn, maar ze doet duidelijk net te veel haar best. Het is de peutervariant van mijn panische pogingen tot humor, zoals ze in haar imitatie van een dansende leeuw de hele speelhoek in beslag neemt.
De andere kinderen slaan haar onthutst gade.
‘‘Kom, lieve schat, we moeten naar huis,’’ zeg ik tegen haar.
‘‘Ik wil niet naar huis,’’ roept ze. ‘‘Jij moet praten met de mensen.’’
‘‘Doe niet zo gek, mama wacht op ons.’’
‘‘Laat dat kind toch lekker spelen,’’ zegt een moeder. ‘‘De borrel is nog maar net begonnen. Of eten jullie echt zo vroeg?’’
Ik doe net alsof ik haar niet hoor en probeer Annika van de grond te pakken. Zij houdt zich vast aan een poppenhuis, waardoor haar lichaam nu in de lucht bungelt. Opeens hoor ik de stilte. Met een glaasje in de hand kijken de ouders hoe deze ontsnappingspoging af zal lopen. Met mijn vrije hand kietel ik Annika tussen haar oksels, tot ze meegeeft.
‘‘Nog de beste wensen hè,’’ roep ik naar niemand in het bijzonder en terwijl kindervuistjes driftig op mijn hoofd trommelen, snelwandel ik weg van mijn dochters eerste en mijn laatste borrel ooit.
Deel op of
Kasper van Royen is Hard//hoofd-redactielid, is naast vader ook filosoof, ex-docent, ex-dichter, ex-echtgenoot, popfetisjist en postbode.
b
a
a