Hard//hoofd

Zomerboek

Kwal

Zondagsschrijvers

Tekst Gastbijdrage

Heeft een schrijver ook weekeinde, of is hij slaaf van zijn pen/laptop? Speciaal voor hard//hoofd duikt Merijn de Boer wekelijks in hoofd, huid en haar van een groot schrijver. De illustraties worden gemaakt door Leila Merkofer.



Het regende op de dag dat hij zelfmoord probeerde te plegen. Hij zat achter zijn bureau. Onder de groene lamp lag het manuscript van zijn afgewezen eerste roman. De wind sloeg de regen tegen het raam. Druppels vervormden de wereld aan de andere kant van het glas: de groene, glooiende heuvels van Wales en links daarvan de Atlantische Oceaan. Een vuurtoren belichtte afwisselend de zee en de heuvels.

Hij was 22 jaar en voelde zich ernstig mislukt. Nu zijn studententijd erop zat kon zijn leven alleen nog maar bergafwaarts gaan. Hij had ze altijd meewarig aangehoord, de ouderejaars van Hertford die een baan hadden in de maatschappij en terugkijkend beweerden dat de studententijd de mooiste tijd van je leven was. Dat je daarna nooit meer zo gelukkig zou zijn als toen in Oxford. De dagen waarin je niets hoefde en alles nog mogelijk was.

Hij had ze altijd nogal treurig gevonden, deze ouderejaars die alleen nog maar melancholisch konden terugkijken. Maar inmiddels moest hij vaststellen dat hun lot het zijne was geworden. Hij zag geen toekomst meer en verheerlijkte zijn studententijd.

Achter zijn rug knetterde het haardvuur. Terwijl hij ernaar luisterde, zag hij zichzelf met Richard en Alastair gearmd onder de Bridge of Sighs lopen, alle drie gekleed in hun gown. Omstreeks dezelfde tijd, in de lente van 1923, organiseerden ze een backwards day, te beginnen met een backwards dinner. Om tien uur ’s ochtends rookten ze sigaren en dronken ze Talisker-whisky. Daarna lieten ze in de dining hall van Hertford het dessert aanrukken, gevolgd door het hoofdgerecht en verschillende voorgerechten. ’s Middags gingen ze punten op de Cherwell (waarbij Graham een drijfnatte arm kreeg) en picknicken met aardbeien en champagne in het boterbloemenveld van Port Meadow. De lentedag sloten ze af met een ontbijt in The King’s Arms, waarbij ze meer dronken dan aten. Het was de eerste avond dat hij bij Richard bleef slapen.


Illustratie: Leila Merkofer



Terwijl hij aan al deze dingen dacht, en terwijl de regen nog steeds tegen het raam sloeg, voelde hij een intense treurigheid over zich heen komen. Op backwards day had hij zich de gelukkigste en krachtigste man op aarde gevoeld. Vandaag, twee jaar later, moest hij onderkennen dat hij niet lager had kunnen eindigen. Hij was leraar en voelde dagelijks hoe die upper class-ettertjes van dertien hem minachtten. En terecht. Daarnaast was hij erachter gekomen dat al die uren die hij ’s avonds en in het weekend in zijn manuscript had gestopt, voor niets waren geweest. Zijn manuscript was slecht en een goede schrijver zou hij nooit worden.

Hij legde de twee stapels van zijn opengeslagen manuscript op elkaar en liep ermee naar de fauteuil die tegenover de open haard stond opgesteld. Hij las de eerste bladzijde en legde het vel daarna in het vuur. Zo ging hij zijn hele boek door: alle hoofdstukken, alle woorden die hij met zoveel pijn en moeite had gerangschikt, verschenen voor zijn ogen, waarna ze voor altijd onleesbaar werden.

Deze exercitie kostte hem slechts een uur, gewend als hij was aan zijn eigen woorden. Hij liep terug naar zijn bureau en op een nieuw vel papier schreef hij in grote letters een citaat van Euripides. Iets over de zee die alle zorgen wegwaste. Hij vouwde het vel dubbel en stopte het in de binnenzak van zijn tweedjasje. Daarna liep hij zijn huis uit, de regen in en hij voelde het zompige gras van de heuvels onder zijn voeten.

Op het strand kleedde hij zich uit. Zonder enige aarzeling wandelde hij het ijskoude water in. Vervuld van zelfmedelijden zwom hij in een keurige schoolslag weg van de kust.

De regen kletterde op zijn hoofd, terwijl hij werd omringd door een ruisend lawaai. Om de paar seconden werd zijn zwemmende lichaam verlicht door de vuurtoren. Telkens wanneer het gebeurde, en hij zijn bleke armen door het water zag klauwen, voelde hij zich betrapt.

Tussen twee lichtstralen in greep hij ineens, met een van pijn vertrokken gezicht, naar zijn been. Een kwal had hem gestoken. Dit ontregelde hem volkomen. Als ik de pijn van een kwallensteek al niet aankan, dacht hij, hoe moet het dan met mijn naderende dood? Eerst zwom hij nog een stukje verder, zij het al minder vastberaden. Maar niet lang daarna stond hij weer op het strand, bibberend van de kou en alleen nog maar bezig met de pijn in zijn been. Ik moet verzorgd worden, dacht hij in lichte paniek. En met een gebogen rug, hinkend, liep hij terug naar zijn eenzame huis op de heuvels.
Deel op of
b
a
a