Illustratie: Gino Bud Hoiting

Sara wist niet dat ze oorstenen had" />

Illustratie: Gino Bud Hoiting

Sara wist niet dat ze oorstenen had" />

Hard//hoofd

Zomerboek - Laatste kans!

Baksheesh

Tekst Gastbijdrage

Sara Kee reisde twee jaar over de wereld en schreef er het boek Reis! Alleen over de wereld over. Dit is deel twee van een reeks boekfragmenten over reizen; voor de thuisblijvers en voor hen die erop uitgaan. Sara leert onderhandelen.



Er zijn beproefde onderhandelingstechnieken die ik met veel pijn, tijd en moeite heb geleerd. Of ik nu boos moet worden, mee moet lachen of een traantje moet laten, uiteindelijk draait het er allemaal om een klein bedrag van hand te laten wisselen. Het betalen van baksheesh – spreek uit ‘baksjies’- is vaak de enige manier om iets te bereiken waarvan men zegt dat het onmogelijk is. Een plekje in een overvolle trein of toegang tot een voor publiek gesloten tempel. Soms is het ook een dwingende vorm van fooi voor iemand die jou aan een goedkope hotelkamer helpt, een ritueel met je uitvoert of je ergens de weg wijst. Meestal wordt pas duidelijk dat je voor zoiets moet betalen als het al te laat is om het af te slaan. Vervolgens wordt een ethisch appèl op je gedaan om voor de ontvangen dienst te betalen. Dat je het zelf beter, sneller en leuker had kunnen doen, telt niet. Dan had je er niet mee in moeten stemmen. De kunst is je zo min mogelijk oren aan te laten naaien en als dat toch gebeurt, zo hard mogelijk te onderhandelen over de prijs.

Je belager zal er altijd voor zorgen dat hij je in een onmogelijke situatie brengt. Hoe ongemakkelijker jij je voelt, des te sneller je geld zult trekken om er vanaf te zijn. Dat is de ijzeren wet van het oplichten. De beste verdediging is je simpelweg niet van je stuk te laten brengen. Maar zoals meestal met goed advies is dat makkelijker gezegd dan gedaan.


Illustratie: Gino Bud Hoiting



Vooral Indiërs zijn goed in het spelen van dit ingenieuze spel en laten me vaak in vertwijfeling achter over wat er precies heeft plaatsgevonden en wat mijn eigen aandeel daarin is geweest. Het is me ooit overkomen dat een mannetje, terwijl ik mijn motor parkeer (ik zal geen helm op hebben gehad), in mijn oor begint te peuteren met een metalen dingetje. Ik schrik me een ongeluk en spring opzij. Met mijn vingers inspecteer ik mijn oor, maar dat zit er nog precies zoals daarvoor. Argwanend bekijk ik mijn belager. Waarop het mannetje me zijn hand onder de neus houdt. Op zijn smalle handpalm ligt een klein grijs steentje met een beetje oorsmeer eraan. Ter geruststelling wiebelt hij met zijn hoofd: van hem hoef ik geen gevaar te duchten. Hij ziet eruit als een keurige Indiër, gekleed in een beige broek met een vouw en een stijf gestreken geel overhemd. Zijn blauwzwarte haar heeft hij strak naar achter gekamd. Hij zou zo kunnen doorgaan voor een briljante student atoomfysica; zijn gezicht straalt iets grondigs uit. Hij overhandigt me een Engels briefje waarin een Duitse arts me bezweert dat deze man een speciaal talent heeft voor het verwijderen van oorstenen en aanraadt deze unieke mogelijkheid niet aan me voorbij te laten gaan. Nooit van gehoord trouwens, oorstenen. Terwijl ik het lees wriemelt de man weer in mijn oor en haalt nog een steen naar buiten. Het is geen onaangenaam gevoel. Plotseling ben ik ervan overtuigd dat het toch ook niet goed kan zijn met al die stenen rond te lopen. Ik laat de Indiër zijn gang gaan en de ene na de andere steen wordt professioneel verwijderd. We staan op een markt, midden tussen de kraampjes en de koeien. Achter ons ligt een druk kruispunt waar riksja’s en auto’s elkaar met veel geweld van hun voorrang overtuigen. Overal stuift zand en stof en het stinkt naar riool. Niet echt de plek voor een medische ingreep, zou je zeggen. Al zit een meter of tien verderop een jongetje, ik geef hem nog geen veertien jaar, met zijn kraampje gebitsprotheses. Nou ja, zeg maar tweedehands kunstgebitten. Hij trekt juist met een roestige tang een rotte kies van een oud vrouwtje. Dat valt nog niet mee, heel zijn kleine gewicht moet hij in de strijd werpen. Beide partijen zetten zich schrap en plop, daar komt hij al. Nonchalant rochelt het vrouwtje vervolgens een klodder bloed op de grond. Ze heeft geen kik gegeven. In vergelijking daarmee zijn een paar oorstenen natuurlijk een lachertje. Een gevaarlijke gedachte. Dat mensen die geen keuze hebben vervuild water drinken, op straat slapen of onhygiënisch hun tanden laten trekken, betekent niet dat ik me daar als buitenlander mee moet meten. Een beetje weerzin bij zulke taferelen is waarschijnlijk eerder goed voor de gezondheid.

Achteraf vraag ik me wel af waar zo’n vlaag van verstandverbijstering vandaan komt. Hoezo oorstenen? En wat dan nog, ik had er toch geen last van? Ik heb altijd geleerd dat het gevaarlijk is met een wattenstaafje in je oor te poeren, dus waarom zou je er dan in godsnaam een onbekende met een soort prehistorisch tandartsgereedschap aan laten zitten? Helaas bieden waarheden die thuis gelden op reis geen garantie voor logisch redeneren. Zeker in India heb ik er last van dat mijn referentiekader op cruciale momenten verdwenen is. Geheel vrijwillig onderwerp ik me aan de meest rare rituelen. Zolang men mij maar voorhoudt dat dit typisch iets is uit de lokale cultuur, ben ik voor alles wel te porren. Soms lijkt het alsof ik continu aan mezelf moet bewijzen dat ik openminded ben.

De kleine Indiër gaat nog een laatste rondje door mijn oor en dan is het klaar. De steentjes heeft hij stuk voor stuk op zijn handpalm geplakt. Lekker is anders, denk ik nog, maar ik zoek er niets achter. Tot me een tweede briefje wordt toegestopt. Dezelfde Duitse dokter legt uit dat ik tien euro per verwijderde steen dien te betalen. Dat rekent hij zijn klanten ook voor in Duitsland en het is toch immers dezelfde medische handeling? Acht stenen lachen mij toe. Net als de Indiër. Ik leg hem uit dat ik een behandeling in een medische kliniek niet vergelijkbaar vind met een consult op straat. ‘Same same, but different,’ antwoordt hij. Die dooddoener had ik kunnen zien aankomen. Het is waarschijnlijk het meest gebruikte cliché in de Aziatische toeristensector, die van pas komt in allerlei situaties waarin belofte en werkelijkheid ver uit elkaar liggen. ‘Je mag ook in rupees betalen hoor,’ zegt hij galant, ‘dan is het vijfduizend rupees.’

Belachelijk hoog inzetten is een beproefde onderhandelingstruc. Je krijgt als koper het gevoel dat je er niet onderuit kunt om veel te betalen en je zult met een relatief hoog bedrag instemmen. Extreem laag inzetten is het enige antwoord.

Ik ben er nog niet helemaal uit of dit hele gedoe met de stenen of alleen het financiële gedeelte ervan oplichterij is, maar ik ben sowieso niet van plan er een klap geld voor neer te leggen. Ik kan me niet herinneren hoeveel ik uiteindelijk betaald heb, maar veel is het niet. De Indiër was boos, of speelde boos en ik liep weg met nog tintelende oren. Oorstenen of niet, het voelde wel alsof er veranderingen hadden plaatsgevonden. Misschien was ik wel een paar fantoomstenen armer.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------
Sara Kee (1984) is schrijfster en filosofe. Ze schreef voor De Groene Amsterdammer, maakte de documentaire Wavumba - zij die naar vis ruiken en reisde de hele wereld over. Haar eerste bundel reisverhalen verscheen onder de titel Reis! Alleen over de wereld bij uitgeverij Nijgh & van Ditmar (2012).
Deel op of
b
a
a