Illustratie: Irene Wiersma

Iemand pakt haar spullen in, pakt haar spullen uit." />

Illustratie: Irene Wiersma

Iemand pakt haar spullen in, pakt haar spullen uit." />

Hard//hoofd

Zomerboek

Een nieuw verhaal

Tekst De Jagers

Hard//hoofd gaat een samenwerkingsverband aan met schrijverscollectie De Jagers. Elke maand zullen deze jonge dichters en prozaïsten zich laten inspireren door een vrij willekeurig gekozen thema. Deze keer was het 'Beginnen', met een verhaal van oprichter Eva Meijer.



Iemand is gewend om via een vaste route naar haar werk te lopen. Op een dag gaat ze aan het einde van de straat naar links in plaats van naar rechts. De straat komt niet uit waar ze dacht dat hij uitkwam en ze gaat naar rechts, en naar rechts, maar elke straat is nieuw en er is niemand buiten die ze de weg kan vragen. Ook brandt achter geen enkel raam licht (het is winter, het is vroeg). Ze draait om maar ze weet niet meer precies hoe ze gelopen is. Ze gaat sneller lopen, herkent een hoek, ze is niet waar ze dacht dat ze was maar ze weet nu waar ze is, ze vertraagt iets, ze is nog niet te laat.

Iemand zit op de grond voor het lokaal waar ze les heeft, het is de eerste les, ze leest een boek, ze is te vroeg. Het tapijt is grijs, viezig, ze zit naast een koffievlek. Ze leest eigenlijk niet, ze kijkt in haar boek en denkt aan iets anders. De deur wordt open gedaan door een vrouw met de blauwste ogen die ze ooit gezien heeft. Ze lacht naar haar, half, slaat haar ogen neer, staat op, pakt haar tas, loopt naar binnen.


Illustratie: Irene Wiersma



Iemand loopt naar de rivier. Hij loopt langzaam, langzamer naarmate hij dichterbij het water komt. Bij de oever van de rivier trekt hij zijn schoenen uit, hij zet ze netjes naast elkaar, vouwt zijn sokken. Hij loopt het water in (het is koud, het is februari). De stenen onder zijn voeten zijn bedekt met mos of planten, ze zijn glibberig. Hij kan blijven lopen. Hij voelt zijn voeten niet. Degene die achter hem aan is gelopen roept hem, hij draait om, keert terug, breekt.

Iemand leest een boek. Iemand anders leest dezelfde zin in hetzelfde boek, een coupé verder. De trein staat stil in een weiland. Iemand kijkt uit het raam. De trein gaat weer rijden.

Iemand zegt hetzelfde woord als iemand anders op hetzelfde moment. Beiden lachen. Er komt iemand anders binnen. Ze houden op met lachen, wisselen een blik van verstandhouding, de ander merkt het niet, begint een nieuw gesprek.

Iemand besluit om nu echt. Ze ligt op haar rug in haar bed, maakt geen aanstalten om op te staan.

Iemand droomt over iets dat nooit zal gebeuren.

Iemand pakt haar spullen in, pakt haar spullen uit.

Iemand pakt haar spullen in, pakt haar spullen uit. Hij belt. Ze kijkt naar haar telefoon, neemt op, net voor hij op de voicemail overschakelt.

Iemand pakt haar spullen in. Hij belt. Ze kijkt naar zijn naam op het schermpje van haar telefoon, neemt niet op, hij schakelt over op de voicemail.

Iemand bezoekt zijn moeder. Hij heeft haar meer dan een jaar niet gezien, maar, zo vertelt hij zichzelf, ze merkt het toch niet omdat ze alle besef van tijd verloren is. Haar kamer ruikt naar jus. Ze zit in een stoel bij het raam, ze kijkt naar buiten. Als hij binnenkomt, draait ze zich naar hem toe en vertelt ze hem over de buurman die overleden is, de buurman van wie ze hield, en over het dak dat gerepareerd is. Hij buigt zich naar haar toe om haar te kussen, ze wendt haar gezicht af. Hij heeft chocolaatjes meegenomen die ze later aan de verpleger zal geven, voor zijn kinderen, zij heeft er tenslotte niets aan, ze wordt er maar dik van.

Iemand bezoekt zijn moeder. Hij heeft haar meer dan een jaar niet gezien, maar, zo vertelt hij zichzelf, ze merkt het toch niet omdat ze alle besef van tijd verloren is. Het benauwt hem haar te bezoeken, in haar kamer die naar jus ruikt, met de koekoeksklok. Als hij aankomt bij het tehuis krijgt hij te horen dat ze naar het ziekenhuis gebracht is. Hij gaat terug naar huis, stopt onderweg bij de supermarkt, doet boodschappen voor het weekend.

Iemand drukt op verzenden, doet haar ogen dicht, hoopt.

Iemand besluit om nu nergens meer op te hopen.

Iemand krimpt heel langzaam.

Iemand haalt diep adem, balt haar handen tot vuisten, zegt het.

--
Dit is een gastbijdrage van Eva Meijer. Ze is beeldend kunstenaar, schrijver en singer-songwriter. In februari 2011 verscheen haar debuutroman Het schuwste dier.
Deel op of
De Jagers
b
a
a