Na Balthasars begrafenis nadert het verhaal zijn climax..." /> Na Balthasars begrafenis nadert het verhaal zijn climax..." />

Hard//hoofd

Zomerboek

De begrafenis

Zoeken naar Rupert #6

Tekst Kasper van Royen

‘Het is toch treurig,’ zei de lichtman tegen de geluidsman. De manager pulkte in zijn neus en smeerde vervolgens zijn vinger af aan een plakje cake. Ik was verbaasd het drietal hier te zien. Naar ik wist was Balthasar nooit meer dan een lifter voor ze geweest. Wie had ze eigenlijk op de hoogte gebracht van zijn overlijden? Ik realiseerde me ineens dat ik mijn muzikantenvrienden sinds Lowlands niet meer had gezien. Zij zouden de hele nacht doorfeesten en misschien was die nacht wel nooit geëindigd. Zorgvlied is ook een soort popfestival, maar dan met lijken in plaats van bandjes.

Robert, Balthasar’s vriend uit Amerika, had een ontroerende speech gehouden. Zo waren Annika en ik opeens van alles over Balthasar's leven te weten gekomen. Hij bleek een gevierd maker van koekoeksklokken te zijn geweest, ‘de beste buiten de Zwitserse landsgrenzen’. Robert was een jazztrompettist die het plan had opgevat ‘de ultieme conceptplaat over de tijd’ te componeren. De twee hadden elkaar ontmoet op een klokkenbeurs in Arkansas. ‘Vijf jaar lang woonden we samen en deelden voedsel en vrouwen,’ zo vertelde Robert in zijn beste Nederlands, ‘maar op een dag verdween Bal zonder bericht om pas twee weken later thuis te komen. Hij was compleet veranderd, in zichzelf gekeerd. Hij begon een vreemde geur af te scheiden, een geur van... verdwaling.’

Robert keek de zaal in, alsof hij na wilde gaan of iedereen hem begreep. Vervolgens vertelde hij hoe Balthasar daarna nog één klok maakte, weken werkte hij er aan, maar het was prutswerk, de spijkers staken aan alle kanten uit. Toen verdween hij op zekere dag voorgoed. Op de koelkast was een briefje geplakt waarop met grote hanenpoten stond geschreven: ‘de tijd heeft mij niet nodig, ik ben hier nooit geweest’. Dat was dertig jaar geleden en sindsdien had Robert hem nooit meer gezien. Ook niemand van zijn familie en vrienden had Balthasar daarna nog gezien. Men ging ervan uit dat hij jaren geleden gestorven moest zijn, totdat de gepensioneerde rechercheur Egbert Nelis – die al zijn dossiers op zijn zolder was blijven bewaren en nog regelmatig bij lastige zaken werd ingeschakeld – bij Balthasar’s stokoude ouders voor de deur stond.



Toen Balthasar op onze bank in een stortvloed aan gesuikerde pinda’s zijn laatste adem had uitgeblazen, raakte ik even in grote paniek. Wat te doen met een lijk van iemand die je korte tijd hebt gekend, maar over wie je eigenlijk nooit iets te weten bent gekomen? Ik wilde niet naar de politie stappen, bang dat we onszelf in gevaar zouden brengen. Maar Annika besloot dat het onze burgerplicht was. We konden gewoon de waarheid spreken: we hadden deze lifter die aan geheugenverlies leek te lijden een slaapplek aangeboden, en hij was een tijdje gebleven. We hadden gehoopt dat als hij goed zou zijn uitgerust, hij weer zou weten waar hij naartoe moest, waar hij thuis hoorde, waar op hem werd gewacht. In de tussentijd timmerde hij een wieg voor ons ongeboren kind. Zo vreemd klonk dat verhaal eigenlijk niet eens. ‘Bovendien,’ zei Annika, ‘is er geen enkele manier om Maxime aan Balthasar te linken.’ De agent van dienst keek inderdaad niet op van ons verhaal. Na enkele dossiers van recente vermissingen te hebben doorgenomen, schakelde hij zijn oude makker Nelis in. Het was bizar hoe snel vervolgens de hele zaak was opgelost.

Nu ik zag hoeveel dierbaren Bal had achtergelaten die eindelijk echt afscheid van hem konden nemen, werd ik overvallen door een intense blijdschap dat wij er voor hem waren geweest, dat wij hem hadden opgepikt, mee naar huis hadden genomen, hem hadden gevoed en verfrist. We hadden hem teruggebracht in de tijd, de tijd die hij had willen ontvluchten. Balthasar was weer iemand die ergens kon zijn en die ergens anders niet kon zijn. Nu wist iedereen waar hij was, nu wist iedereen dát hij er was, ook al was hij morsdood. Robert eindigde zijn speech met de mededeling dat hij niet lang na Balthasar’s verdwijning de heroïne had ontdekt en dat de conceptplaat over de tijd er nooit was gekomen. Een man op de derde rij met een grasgroen vlinderdasje snoot luid zijn neus. Uit de kist walmde de odeur van deodorant.

Toen Annika en ik thuiskwamen was Maxime verdwenen. Het duurde niet lang om erachter te komen hoe hij uit de touwen had kunnen komen. Ik had de pizzaslicer voor de commode laten liggen. Annika sloeg me in mijn gezicht en daarna nog een keer en nog een keer, elke klap weer een stuk harder dan de vorige. Ik voelde me licht worden in mijn hoofd. ‘Kalm aan,’ zei ik, ‘stress kan nooit goed zijn voor ons Bubbeltje.’ ‘Ze heet geen Bubbeltje meer!’ schreeuwde Annika, ‘Bubbeltje was Balthasar’s belofte!’

Ik wist dat we flink in de penarie zaten. Nadat opsporingsteams de gehele Ardennen hadden uitgekamd, was Nederland vastbesloten dat Maxime niet naar rust in zijn hoofd had gezocht, maar in vijandelijke handen moest zijn gevallen. Men dacht dat de Hofstadgroep, of misschien zelfs Al-Qaida, of mogelijk het Metropole Orkest, achter zijn verdwijning zou zitten. Peter R. de Vries had een oude geliefde van Verhagen opgespoord, een tandeloos vrouwtje dat een camping in Zanzibar runde en onthullend nieuws had over een gestolen paard. ‘Clitoridectomie van onze democratie. Dat zeg ik, Gamma,' liet Geert Wilders weten. Sinds de verdwijning van Verhagen waren de aandelen Twitter dermate in waarde gekelderd dat politici voortaan alleen nog gesponsorde berichten mochten verzenden. Met deze nationale hysterie hadden wij ons relatief veilig gevoeld. Wie zou ook op het malle idee komen om de kersverse vice-premier te zoeken in Bos & Lommer, bij burgers die zelfs nooit een boete voor spookfietsen hadden ontvangen? Maar nu Verhagen op vrije voeten was zou het niet lang duren voordat de AIVD op onze stoep stond. Het was wellicht een kwestie van uren. Zwijgend begonnen Annika en ik onze koffers in te pakken.

Toen Annika haar kastje opendeed verbrak ze het zwijgen. ‘Wie heeft er aan mijn fotoboeken gezeten?’ zei ze geschrokken. Blijkbaar had ik ze toch niet zo netjes teruggezet als ik had gedacht. En blijkbaar had Annika toch wat te verbergen. Ik slikte en zei toen: ‘Wie is Wilfried?’ Op dat moment kon niets me meer schelen, ik begreep niet waarom ik me zo graag dom had willen houden. Ik moest weten wie Wilfried was, ik had recht op een antwoord. Annika keek me glazig aan. Ik pakte haar bij de schouders en schudde haar door elkaar. ‘Wie is Wilfried?’ zei ik nog een keer. ‘Wie is Wilfried? Wie is Wilfried? Waarom noemde je mij zo?’ Het volume van mijn stem zwol aan, tot ik de longen uit mijn lijf schreeuwde. Annika bleef me niet begrijpend aankijken en barstte toen los in een hysterische lachbui, alsof ik een grap had verteld die ze nu pas begreep.

- Volgende week de ontknoping! -
Deel op of
Kasper van Royen is Hard//hoofd-redactielid, is naast vader ook filosoof, ex-docent, ex-dichter, ex-echtgenoot, popfetisjist en postbode.
b
a
a