© 2009-2012 | colofon en contact

◊ 27 mei 10

TIP: Hans Andreus

Hier verschijnt elke dag een tip van een hard//hoofd-redactielid. Vandaag: gedichten die een zoektocht naar 'het licht' zijn.

◊ artikel

Het is lastig om een ‘Tip’ te schrijven over een goede schrijver. Want hoe vang je de pracht van zijn of haar werk in de taal in woorden die het recht aan doen?

Hans Andreus begon zijn loopbaan als experimenteel dichter en ging later kinderverhalen en ander proza schrijven. Hij maakte deel uit van de Vijftigers en schreef niet zo associatief als bijvoorbeeld Lucebert, maar liet zich ook niet in de vorm drukken die de geschiedenis van de poëzie hem voorschreef. Zijn gedichten zijn een zoektocht naar ‘het licht’, licht als een verzameling fotonen maar ook licht als metafoor voor een schoonheid die onze alledaagse werkelijkheid overstijgt. Een metafoor die we kennen als eeuwenoud cliché, maar die in het werk van Hans Andreus bijna tastbaar wordt. Hij oscilleert tussen het aardse en het bovenaardse, beschrijft de pracht van zintuiglijke ervaringen en schrijft even treffend over de verschrikkingen van transcendentale angsten als over liefde en verlangens.

Zijn oeuvre is een zoektocht naar iets hogers die wordt ondernomen in de wetenschap dat het doel buiten bereik zal blijven, maar die als niet aflatend streven zichzelf bestaansrecht geeft. Zijn laatste gedichtenbundel schreef hij terwijl hij terminaal ziek was. Het is een verzameling herinneringen, reflecties van iemand die afscheid neemt van een wereld die koud en onvergeeflijk is, maar ook vol pure schoonheid. Het allerlaatste gedicht dat hij schreef staat op de laatste pagina. Het is geschreven in een vorm die al eeuwenoud is, die van het sonnet.

Uit Laatste gedichten, Hans Andreus, 1977:

Laatste gedicht

Dit wordt het laatste gedicht wat ik schrijf,

nu het met mijn leven bijna is gedaan,

de scheppingsdrift me ook wat is vergaan

met letterlijk de kanker in mijn lijf,

en, Heer (ik spreek je toch maar weer zo aan,

ofschoon ik me nauwelijks daar iets bij voorstel,

maar ik praat liever tegen iemand aan

dan in de ruimte en zo is dit wel

de makkelijkste manier om te zeggen), -

hoe moet het nu, waar blijf ik met dat licht

van mij, van jou, wanneer het vallen, weg in

het onverhoeds onnoemelijke begint?

Of is het dat jíj me er een onverdicht

woord dat niet uitgesproken hoeft voor vindt?