Hard//hoofd

Zomerboek!

Billen

Kort verhaal

Tekst Luuk Hijne &
Illustratie Merel Cremers

Vier kinderen, één Pokémonkaart. Gepaard met verveling halen de plastic kaarten zelfs in 's werelds meest onschuldige het slechtste naar boven. Een kort verhaal van Luuk Hijne, met billen.

Aerodactyl heette hij. Hij was van al mijn Pokémonkaarten het absolute pronkstuk. Op de afbeelding stond een fossiele draak met een agressieve kop en oranje ogen, vliegend in een Jurassic Parkachtig landschap. Hij was de meest zeldzame en beste van de nieuwste serie Pokémonpakjes: de ‘fossils’. Ondanks de angst voor krasjes haalde ik hem, geschoven in een hoesje, minstens twee keer per dag uit het voorste blad van mijn verzamelmap, om hem vlak voor mijn ogen voorzichtig heen en weer te bewegen. De ‘holo’, zoals de glimmende kaarten werden genoemd, blonk in het zonlicht als de hemel zelf, met rechtsonder in gouden letters ‘Prerelease’. Ik wist niet precies wat dat betekende, ‘Preurlies’, maar wel dat de kaart daardoor van onschatbare waarde was. Vijftig gulden, gingen de geruchten, zestig zeiden sommigen zelfs. Eén blik op de kaart kon de lucht al uit mijn longen persen.

Ik bewaakte Aerodactyl met mijn leven. Dat ik het bezit van die kaart ooit op het spel zou zetten kon ik me niet voorstellen.

Van de een op de andere dag was alles in mijn buurt doordrenkt van Pokémon. Het was een weelde, de wereld waarin alle kinderen opeens dezelfde doelen, begeerte, valuta en hetzelfde vakjargon hadden. Tegelijkertijd schuilde daarin ook het gevaar: ieders hoop, ieders waardigheid zat in die kaarten. Geen enkel sociaal verbond was meer heilig, iedereen had een verborgen agenda.

Eén gevaar lag altijd op de loer: de grote jongens van het voetbalveldje. Soms kreeg ik tijdens het voetballen een sigaret in mijn gezicht geduwd, andere keren perforeerde iemand mijn voet met zijn stalen voetbalnoppen of werd ik als blindemannetje naar een hondendrol geleid. Sinds de Pokémonrage werden deze vernederingen een geliefd chantagemiddel. Ik was nergens meer veilig, behalve bij één groep: de jongere meisjes.

Fadoua, en de zusjes Lisa en Janneke; ze hadden een Barbie-achtige roze sfeer om zich heen en hielden nauwelijks van voetbal. Maar ik was graag bereid het avontuur van het voetbalveldje in te leveren om geen vernederingen meer te ondergaan. In plaats van te voetballen speelde ik daarom met hen Never Ending Story na, keken we de film Kabouter Plop op zoek naar de Schat en speelden we Stand in de Mand. Zelfs als we onze Pokémonkaarten tevoorschijn haalden, maakte ik me geen moment druk om mijn Aerodactyl. Ook niet toen Fadoua plotseling Lisa’s favoriete kaart ontfutseld had.

We hadden onze kaarten meegenomen naar het huis van Lisa en Janneke, waren klaar met ruilen en verveelden ons. Fadoua bewoog de kaart uitdagend heen en weer.

‘Hé, Lisa, mis je niet iets?’

‘Wat dan?’ vroeg Lisa. Ze stond op van de bank. Toen zag ze het. ‘Nee!’

Het was ‘Raichu’, haar meest zeldzame en allerbeste glimmende. Ze probeerde haar kaart te grijpen, maar ze kreeg hem niet te pakken.

‘Geef terug!’

Net voordat Fadoua de kaart wilde teruggeven, deed ik iets wat ik niet had moeten doen. Ik griste de kaart uit haar handen en rende de kamer uit, de tuin in, door het steegje, richting het voetbalveld.



De andere drie volgden me op de voet. De achtervolging leek op lummelen, maar dan met een hogere inzet. Wanneer Lisa de kaart bijna te pakken kreeg, werd die doorgegeven. Na tien minuten gaf Lisa het op. Ieder was buiten adem van het rennen. We hielden halt op het pad langs de sloot met haar aangrenzende woekering van berenklauwen en brandnetels. De warmte maakte de weeïge kroosgeur overheersend. We hijgden uit.

‘Wie heeft ’m?’ zei Lisa.

‘Wat heb je ervoor over om ’m terug te krijgen?’ vroeg Fadoua.

Lisa lachte even, maar trok daarna een grimas.

‘Ik wil ’m gewoon terug!’ zei ze.

‘Dan moet je er wat voor doen’, zei ik.

Janneke stootte een hoog, nerveus lachje uit.

‘Ja, inderdaad… een opdracht!’ zei Fadoua.

‘Oke…’ zei Lisa, ‘maar niet te moeilijk hè?’

‘Nou…’ zei ik terwijl ik Fadoua en Janneke aankeek. ‘Dat moeten we even overleggen.’
En hoewel ik niemand van ons vieren het hoge sadismegehalte van de oudere jongens toeschreef, voelde ieder aan dat we iets verder konden gaan dan normaal.

Opdrachten doen hoorde bij ons tot de orde van de dag. Elke keer als iemand een spel verloren had, verzonnen we wel iets wat de verliezer moest doen. Maar nu was de situatie anders. We waren in de uitvoerbaarheid van de opdracht, door de borg van de kostbare Pokémonkaart, niet meer afhankelijk van de bereidwilligheid van het slachtoffer. En hoewel ik niemand van ons vieren het hoge sadismegehalte van de oudere jongens toeschreef, voelde ieder aan dat we iets verder konden gaan dan normaal.

We liepen een paar meter van Lisa vandaan, het trappetje omhoog richting het steegje langs haar huis.

‘Hm… het moet wel iets moeilijks zijn,’ zei Fadoua, ‘maar ik weet eigenlijk niet zo snel iets.’

Janneke haalde haar schouders op en trok een pruillip. ‘Anders geven we de kaart gewoon terug.’

‘Nee, dat is te makkelijk,’ zei ik.

Plotseling ademde Janneke merkbaar in, haar ogen werden groot.

‘Ik weet wat!’ zei ze hardop.

Ze keek even om naar Lisa, verlaagde haar stem, en stelde iets voor dat zo buiten mijn verwachtingspatroon viel dat ik ervan schrok.

‘Ze moet…’, ze proestte door haar neus terwijl ze het fluisterde, ‘…ze moet haar billen laten zien.’

Fadoua en ik vielen even stil. Langzaam veranderde Fadoua’s blik naar het voorbeeld van Janneke.

‘Jaaaa!’

De meisjes wendden hun blik naar mij toe. Een onbestemd wee gevoel was bij me opgekomen. Ik was bang. Toch wilde ik me niet laten kennen; ik had tenslotte zelf voorgesteld een opdracht te doen. En het laatste wat ik wilde was toegeven dat ik Lisa’s billen niet durfde te zien. Ik stemde toe.

We spraken de plek van acte af en wenkten Lisa. Ze kwam het trappetje op, wilde langs ons heen lopen, maar haar zus hield haar tegen.

‘Nee,’ zei Janneke, ‘hierin.’

Ze wees naar de dicht opeengepakte struiken naast ons, waar zich in het midden een restant van een oude hut bevond. We liepen gebogen door de takken met onze handen afwerend voor ons uit. Door de overkoepelende wilgentakken boven ons brak het zonlicht, dat zich uitvlekte over een bodem van halfvergane houtsnippers. Bij iedere stap op het zaagsel leek een kolonie pissebedden omhoog te soppen. Ik rook een vage pisgeur.

‘Zeg maar wat ik moet doen,’ zei Lisa.

Janneke liet een giebel ontsnappen. De ondeugendheid droop ervan af als mierzoete stroop. Ze vertelde ons plan.

‘Ja doei,’ zei Lisa direct, ‘dat doe ik echt niet.’

‘Toch zal het moeten,’ zei Fadoua.

‘Je moet!’ zei Janneke, ‘Doe nou maar gewoon, dan krijg je je kaart terug.’

Lisa keek vertwijfeld. Ze zocht mijn blik, maar ik sloeg mijn ogen neer.

‘Oké dan,’ zei Lisa, ‘als jullie dit per se willen… waar moet ik staan?’

‘Daar,’ zei Fadoua, gedecideerd. Ze wees naar de plek in het midden, waar wij met z’n drieën in een halve cirkel omheen gingen staan.

Lisa liep naar de aangewezen plek, draaide zich met haar rug naar ons toe en boog zich iets voorover. Daarna zette ze haar handen aan de zoom van haar lichtblauwe joggingbroek met pluisjes. Ik voelde een onaangename spanning in mijn onderbuik. Ik wil dit niet, dacht ik alleen maar. Plaatsvervangend zette ik me schrap.

In een flits had ze haar broek tot aan haar bovenbenen laten zakken. Het duurde slechts enkele seconden, maar het was genoeg om haar melkwitte billen in mijn blikveld te plaatsen. Het moment verliep tergend langzaam. Het kostte me moeite niet te denken dat ze hier ook mee op de wc zat, of dat ze met de voorkant die nu ook bloot was plaste, of wat er überhaupt aan de voorkant zat. Ze trok haar broek weer op.

Toen kwam de lach, een ontladende meisjesgiebel. Ik lachte mee uit opluchting.

‘Hier, je kaart,’ zei Fadoua, ‘eerlijk terugverdiend.’

Ik maakte haast de stilte te doorbreken. Natuurlijk was ik ervan overtuigd dat ik bij een eventuele herhaling van de opdracht zelf niet aan de beurt zou komen. Ik dacht ook nog geen moment aan de gevolgen van een eventueel rampscenario. Toch kwam het vermoeden toen al vaaglijk op dat een tweede ronde niet gunstig voor mijn ontsnappingsmogelijkheden zou zijn.

Ik sloeg mijn handen ineen, deed een stap richting de uitgang van de wilgenoverkapping, en zei zo luchtig mogelijk: ‘Nou, wat zullen we nu doen? Flessenvoetbal?’

Lisa keek me geërgerd aan.

‘Straks misschien. Nu moet er iemand anders.’

We liepen terug door de achtertuin, de woonkamer in. Binnen leek Lisa voorzichtig haar map te pakken. Ze sloeg hem open en trok er, in plaats haar eigen kaart erin te stoppen, watervlug een andere kaart uit.

‘Hé, dat is mijn map!’ gilde Janneke.

Ik probeerde Lisa de kaart nog terug te laten geven. Maar Jannekes moeite om haar beste kaart 'Vaporeon' terug te krijgen was zo gering dat er geen ruimte meer was het voor haar op te nemen.

Enkele ogenblikken later renden we het veld weer over. We eindigden weer uitgeput op de open plek tussen de struiken. Ditmaal was er geen aarzeling. Janneke leek het geen moment erg te vinden dat we haar meest waardevolle kaart gestolen hadden. Ze wachtte niet en had voor ik het wist haar broek helemaal tot op haar enkels. Ze wiegde heen en weer met haar billen.

‘Woep woep woep.’

Snel kreeg ze haar kaart weer terug in de woonkamer.

‘Oké, wie nu,’ zei Janneke.

Een afwachtende stilte volgde. Ook Fadoua wilde niet, dat had ik wel in de gaten. Zij moest aan de beurt komen. Daarna zou ik er tussenuit knijpen. Maar dat kon ik nu onmogelijk zelf zeggen. Ik keek omlaag en schoof wat heen en weer met mijn voet. Kon ik zomaar wegrennen? Nee, onmogelijk, niet voor drie jongere meisjes.

‘Luuk,’ zei Lisa.

Ik keek op.

‘Nee,’ zei ik, ‘doe Fadoua maar, die moet ook nog. Ik moet ook bijna naar huis eigenlijk.’

‘Nee,’ zei Lisa, ‘doe niet zo flauw, je moet helemaal niet naar huis. Geef je kaart. Janneke en ik zijn al aan de beurt geweest, nu moet jij. Er gebeurt heus niets mee, dat zag je toch?’

Ik moest wel. Ik haalde mijn map tevoorschijn en wilde snel de eerste bladzijde omdraaien, toen Fadoua me tegenhield.
‘Je weet welke kaart we willen,’ zei ze. ‘Je meest zeldzame. Geef maar hier.’
‘Je weet welke kaart we willen,’ zei ze. ‘Je meest zeldzame. Geef maar hier.’

Vóór dit voorval had ik gedacht dat er geen enkele manier ter wereld in te zetten was om mij mijn Aerodactyl aan een ander te laten overhandigen. Die bleek er wel te zijn: mijn trots tegenover meisjes. Meisjes verraad je niet, met meisjes vecht je niet. Dieper zou ik als achtjarige jongen niet kunnen zinken.

Ik gaf hem, mijn kostbaarste bezit.

Heel even maar, hield ik mezelf voor, straks krijg ik hem weer terug.

Wat de prijs daarvoor was, verdrong ik op dat moment nog even.

We renden voor de derde keer over het veld, maar met minder geestdrift. Ik speelde het spel slecht mee; ik zei alleen maar ‘voorzichtig’, en deed niet mijn best de kaart af te pakken. Ik rende slechts voor de vorm achter ze aan. Op de momenten dat de kaart werd doorgegeven hield ik mijn hart vast. Stukje bij beetje kwam het afschuwelijke moment dichterbij, de jacht verschoof weer naar het paadje langs de sloot, richting de vochtige weeë struiken.

Mijn hart bonsde snel en agressief.

Janneke wiebelde de kaart plagerig voor mijn neus heen en weer. Ik moest bijna kokhalzen.

‘Hie-hier,’ zei ze, ‘je Aerodactyl, Luuk, je weet wat je moet doen!’

Ik lachte niet terug.

‘Ga maar voor!’ zei Lisa.

Voor de derde keer bukten we onder de eerste takken door, liepen over het paadje met de vochtige houtsnippers, en stopten op de plek met het verhoogde wilgendak.

Ik installeerde me op de toonplek. Lisa, Janneke en Fadoua vormden een halve cirkel achter me. Ik keek nog een keer over mijn schouder. Hun blikken lieten mijn bovenbenen tintelen. Ik zette mijn handen aan de zijkant van mijn broek. Net als Lisa had ik een joggingbroek aan; de handeling zelf was kinderlijk eenvoudig. Maar mijn handen verstijfden.

‘Doe nou maar,’ zei Lisa.

‘Je moet,’ zei Janneke, ‘het is maar even, en dan geven we je kaart terug. Net als bij ons daarstraks.’

Ik heb Aerodactyl niet meer, dacht ik. Ik heb Aerodactyl niet meer.

Langzaam forceerde ik de rand van mijn broek enkele centimeters naar beneden. O, wat voelde dit vreselijk. Ik voelde de tocht op mijn onderrug, een plek waar tocht niet hoort te zijn. Maar ik moest door. Ik kon mijn kaart niet zomaar terugvragen. Niet nadat ik hen hetzelfde had laten doen.

Vijf, vier, drie, twee, een. Nu.

Heel snel trok ik mijn broek omlaag tot halverwege mijn billen. In die ene seconde schoten de blikken, de tocht op de ongebruikelijke plek op mijn lichaam, de weeïge kroos- en pis- en brandnetelgeur, én mijn poephouding tegenover drie jongere meisjes door mijn gedachten. Daarna trok ik mijn broek weer omhoog. Ik draaide me om. Een grotere vernedering had ik niet kunnen ondergaan, maar nu was het voorbij. Ik voelde me verlicht.

‘Zo, gedaan,’ zei ik, ‘wie heeft Aerodactyl?’

Even waren ze alle drie stil. Ze keken elkaar aan. Toen nam Janneke het woord.

‘Nee, dit was te weinig.’

Ze keek naar de anderen.

‘We konden niets zien, toch?’

‘Nee,’ schudde Lisa nu ook haar hoofd, ‘nog niet eens tot de helft! En je deed het veel te snel.’

‘Nog een keer,’ zei Fadoua, ‘en nu echt.’

De wereld zakte onder mijn voeten weg. Ik kon niet eens meer protesteren, en ging weer klaar staan. Ik zette mijn handen voor de tweede keer aan de zoom. Het ging om Aerodactyl, daar deed ik alles voor. Maar het lukte niet, de eerste keer voelde al veel te ver omlaag.

Ik draaide me om en verdedigde me. Het was wel ver genoeg, ze konden mijn billen toch zien?

Fadoua negeerde mijn vraag.

‘Nu krijg je je kaart niet terug,’ zei ze.

‘Ik heb hetzelfde gedaan als jullie,’ zei ik.

‘Niet waar,’ zei Lisa verontwaardigd, ‘Janneke is net helemaal in haar nakie gegaan en van jou konden we helemaal niets zien.’

‘Ik wil mijn kaart nu terug!’ De controle over de trilling in mijn stem was ik al kwijt.

De meisjes verroerden geen vin. Ik liep dreigend op Janneke af, het jongste meisje, en greep haar beet. Haar schouder voelde broos, veel te broos om met geweld vast te pakken. Ze probeerde zich tevergeefs af te wenden.

‘Ik heb ’m niet,’ zei ze.

‘Waar is-ie dan?’ vroeg ik dreigend. ‘Hij mag niet beschadigd raken, weet je hoeveel hij waard is?’

Ze rukte zich van me los, meer geschrokken dan boos. Die blik. O, wat voelde dit laf. Als ik maar niet ging huilen, niet hier voor die meisjes.

‘Goed, weet je,’ zei ik met overslaande stem, ‘dan ga ik nu weg, en dan moeten jullie vijftig gulden betalen, want zoveel is hij waard. En als er ook maar een krasje op zit, dan ook.’

Ik draaide me om en begon over het pad naar de sloot te lopen, de wanhoop nabij.

‘Oké goed, ga maar weg, dan hebben we een gratis Aerodactyl’ zei Fadoua.

De laatste opmerking kwam als een klap. Ik liep het grindpad op, maar met het gevoel mijn kostbaarste bezit, dat nog kwetsbaar was ook, in een zwijnenstal te hebben achtergelaten.

‘Jeeezus wat flauw,’ riep Fadoua.

De tranen begonnen te lopen. En hoewel ze alleen mijn rug konden zien, moesten ze de schokken in mijn schouder van het gesnik gezien hebben. Toen kwam Lisa me achterna gehold totdat ze naast me liep. Ik wendde mijn gezicht af.

‘Hier’, fluisterde ze, ‘heb je nu je zin?’

Ze gaf me de kaart terug.

‘Echt heel flauw hoor’, riep Janneke.

‘Wat een lafaard’, riep Fadoua.

Ik liep door en keek niet meer achterom.

 


Deel op of
Luuk Hijne is stadsgids in Utrecht en sociaal psycholoog, houdt van lezen, musea, geschiedenis, en het opschrijven van herinneringen en belevenissen.
Merel Cremers tekent al van kinds af aan dieren. Door de jaren heen is vooral de setting veranderd van idyllische bostaferelen naar mens-dier relationele sferen. En sinds Merel keramiek heeft ontdekt liggen die tekeningen nu ook op je bord..
b
a
a